Fragment 'Het Geheime Verbond van Wraakzuchtige Opa's'

Fragment uit het jeugdboek Het Geheime Verbond van Wraakzuchtige Opa's (De Harmonie, Amsterdam, 1996) (pag. 43-48)


DE OPAPARADE

Wij zoeken een lieve opa
voor onze zoon (!!). Dagje
dierentuin, bioscoopbezoek,
dingen die opa's zoal doen.
Br. o. nr. 350-38090 blad.


Het staat er echt! Tevreden ritselt Kesters vinger voor de veertiende keer over het krantenpapier tot bij de advertentie. Zíjn advertentie. Nu staat hij in de krant. 'Onze zoon (11)", dat is hij.
Eigenlijk had er een foto bij gemoeten, natuurlijk. Dan zou Suze de krant openslaan, nietsvermoedend. Zonder erbij na te denken en zonder iets te lezen zou ze blad na blad omslaan. Allemaal oorlog, dood en grote mensengezeur, zou ze denken. En dan opeens zou ze hem zien.
'Hé,' zou ze tegen zijn papieren hoofd zeggen. 'Kester!'

En ze zou voelen hoe ze helemaal warm werd vanbinnen als ze naar zijn foto keek.
Op school zouden alle kinderen om hem heen drommen, maar als Suze er aan kwam zouden ze netjes opzij gaan.
'Daar gaat de geliefde naar haar held.' Dat soort dingen zouden de kinderen vol eerbied tegen elkaar fluisteren.
En Suze zou voor Kester staan en zeggen: 'Hoi. Ik zag je in de krant.'
'Ach,' zou hij zeggen, op een toon van: het is niets.
Suze zou ervan blozen en verlegen lachen. En dan zou ze heel dicht bij hem komen staan en in zijn oor fluisteren.
'Nou, ik ben benieuwd.'
Als Suze fluistert, klinkt ze net als zijn vader, merkt Kester.
'Je moet maar nergens op rekenen.'
Het ís zijn vader. Nout staat achter Kester en kijkt over zijn schouder naar de advertentie.
Kester voelt zich betrapt. Soms zegt zijn vader iets, dan is het net of hij zo Kesters gedachten binnen is gestapt. Tot in zijn nek voelt hij zijn huid gloeien.
'Hoezo?' zegt Kester, strak voor zich uit kijkend.
'Ik bedoel,' zegt Nout, 'dat je geen stapels brieven moet verwachten.'
'O,' zegt Kester. Opgelucht voelt hij zijn wangen alweer wat afkoelen. 'Maar dat doe ik ook niet.'
'Heel verstandig,' zegt Nout. Hij geeft zijn zoon een schouderklop. 'Zoals ik zei: je moet maar nergens op rekenen.'
Hoe doe je dat, nergens op rekenen? Hoe krijg je het voor elkaar niet te hopen op iets waar je hoofd dagenlang vol van is?
Kester probeert maar wat. Een week lang loopt hij nergens op te rekenen, door alleen maar te vragen: 'En? Is er al post?'
En als zijn moeder dan; 'Niks,' zegt, doet hij net alsof hij dat wel had verwacht.
Na zes dagen vallen er twee reacties in de bus. Ze besluiten nog een paar dagen nergens op te rekenen. Nog eens vier dagen later zijn er in totaal zes brieven binnen gekomen. Twee ervan vallen meteen weer af. Eentje heeft er namelijk geen afzender onder staan. De andere verdwijnt zonder dat Kester hem heeft mogen lezen in snippers in de prullenbak.
'Getver,' zegt Etje.
'Die is ziek,' zegt Nout.
Kester wil geen vieze zieke opa. Wie weet is het besmettelijk. Het moet dus van de overgebleven vier brieven komen.
'Hoe zullen we het aanpakken?' vraagt Etje.
'Om te beginnen moeten we ze maar eens uitnodigen voor een gesprek,' stelt Nout voor.
'Mogen ze dan al meteen met mij spelen?' wil Kester weten.
'Nou, we moeten eerst maar eens rustig met ze praten,' zegt Etje.
'Zien wat voor vlees we in de kuip hebben,' zegt Nout.
'Ik wil een opa,' zegt Kester. 'Geen biefstuk.'
'Eerst gaan mama en ik eens rustig met zo'n man praten,' verduidelijkt Nout. 'En dan verzinnen we wel iets waardoor wij zogenaamd even weg moeten. Dan ben jij eventjes alleen met die opa. En dan moet je zelf maar zien wat je van die kandidaat vindt.'
Kandidaat. Dat klinkt wel goed, vindt Kester. Een woord waar medailles en heel hard je best doen bij horen.
'We nodigen ze allemaal uit,' zegt Etje. 'En pas als we iedereen gesproken hebben, hakken we de knoop door.'

Opa Nikkerbokker
De eerste opa die ze ontvangen heeft een plank ingeslikt. Met grote passen, maar zijn rug kaarsrecht, loopt hij naar de stoel die Etje hem aanwijst.
Verbijsterd ziet Kester kandidaat één voor hem langs gaan. Als je begint bij zijn hoofd is alles aan hem normaal tot aan zijn knieën. Een flinke bos grijs krullend haar, met bijpassende wenkbrauwen. Zijn nek zit strak ingesnoerd in de boord van zijn overhemd. Onder de geblokte trui die hij over zijn overhemd draagt, heeft hij nog een tweede adamsappel. Dat is de strop van zijn das.
Halverwege zijn buik begint de broek. Bollende pijpen tot net voorbij zijn knieën. En daar begint het rare gedeelte van kandidaat één. De broek houdt daar opeens op. Het lijkt wel of de pijpen met riempjes zijn afgebonden. En daaronder beginnen meteen geelbruine kniekousen. Aan de zijkant van iedere kuit bungelt een dun kwastje. Zijn voeten zijn verstopt in zware bergschoenen, waarvan er een bij elke pas een kort piepend geluid laat horen.
Als een beeld zit hij op de rand van zijn stoel. De benen stijf tegen elkaar, de handen over de knieën gevouwen, het bovenlijf onbeweeglijk rechtop. Eigenlijk zijn zijn lippen het enige aan hem dat beweegt.
'Waarom heeft u op onze advertentie gereageerd?' vraagt Nout.
'Dol op kinderen,' zegt kandidaat één. 'Dol op kinderen.'
'U heeft zelf geen kleinkinderen?' wil Etje weten.
'Geen kleinkinderen. Geen kinderen. Ik ben niet eens getrouwd. Het kwam er niet zo van. U weet hoe dat gaat.'
Nout en Etje weten niet hoe dat gaat, daarvoor zijn ze veel te getrouwd. Maar ze zeggen niks.
'Maar ja, je voelt toch dat je iets mist, hé,' gaat kandidaat één verder.
'Een vrouw?' probeert Etje.
'Kinderen,' zegt kandidaat één. 'Die mis je. Dus je gaat zoeken.'
'Kinderen?' zegt Nout verbaasd.
'Een vrouw,' zegt kandidaat één. 'Je zoekt toch warmte, gezelligheid, liefde. Alleen kwam ik de ware niet tegen. Dan blijft er niet zo veel meer over, natuurlijk. Wat neem je dan in huis?'
Nout en Etje hebben geen idee.
'Een hond,' verklapt de man. 'Ach, dan heb je iets om voor te zorgen, nietwaar. En zo'n beestje wordt op den duur toch net een kind voor je. Maar ja, er komt een dag, dan is het arme dier te oud. Het wordt ziek. Dan moet je het een spuitje laten geven.'
Hier haakt Kester af. Hij weet genoeg. Voor hem hoeft het al niet meer. Stel je voor dat je bij zo'n opa logeert en je krijgt de griep.
'En weet u wat ik nu het meeste mis?' vraagt kandidaat één.
'Een natte neus?' gokt Nout.
'Gekwispelstaart?' raadt Etje. 'Of is het kwispelgestaart?'
'Geblaf?' zegt Nout. Hij geeft het niet op. 'Een tong die als een natte lap over je wang likt? Haren op de bank?'
'Staartgekwispel?' zegt Etje. 'Staartgekwipsel? Straatgekwipsel?'
'Nee,' zegt de man. 'Ik mis het uitlaten.'
'U wilt onze zoon uitlaten?' roept Nout. 'Aan de lijn, en dan zo de struiken langs.'
Even denkt Kester te zien dat zijn moeder haar best moet doen om het niet uit te gillen van pret. Maar ze verbijt zich.
'Wat denkt u wel,' zegt ze. 'Onze zoon is geen hond!'
'Nee, nee,' kreunt kandidaat één. 'U begrijpt me verkeerd.'
'Ik begrijp u heel goed,' zegt Etje. 'Weet u wat? Probeert u het bij het asiel nog eens. Dag meneer.'
Terwijl ze dat zegt, is Nout opgestaan en naar de deur gelopen. Demonstratief houdt hij hem open, ondertussen met een vinger naar het gat van de deur wijzend.
Kandidaat één snapt dat zijn aanwezigheid niet langer op prijs wordt gesteld. Hij staat op. Zijn afscheidsknikje is al even stijf als zijn rug.
'Dag mevrouw. Dag jongeman,' groet hij, en verdwijnt door de deuropening.
Etje houdt zich goed tot ze de voordeur in het slot hoort vallen. Dan barst ze in lachen uit.
'Wat een type!' schatert ze.
'Die broek!' lacht Kester. 'Die was veel te kort.'
'Dat heet een knickerbocker,' giechelt Etje.
'Een nikkerbokker?' herhaalt Kester. 'Nou, naast zo'n broek ga ik niet op straat lopen, hoor.'
'Nee,' zegt Etje. Ze veegt een traan uit haar ooghoek. 'Trouwens, dat zou die man ook niet willen. Wat zou hij ook met jou moeten? Jij kunt niet eens kwispelen.'

Terug

T-Hdesign | Copyright Rien Broere All rights reserved. Home - Contact