StadFM

Rien Broere bespreekt regelmatig pasverschenen boeken voor het programma Spotlight. De besprekingen zijn hier te lezen, maar ook op de website van Spotlight: www.roosendaalcultureel.nl


Schrijver

Karl Ove Knausgård, Schrijver (Mijn strijd 5)
Vertaald door Marianne Molenaar
Oorspronkelijke titel:  Min Kamp. Femte bok
Uitgeverij De Geus, Breda 2014
636 pagina’s
ISBN 978 90 445 3225 8
€ 25,- (e-book € 19,99)

Schrijver is het vijfde deel in Knausgårds zesdelige cyclus Mijn strijd en opnieuw lukt het hem om in onopgesmukt proza met veel ruimte voor alledaagse details de lezer als het ware te hypnotiseren, hem mee te zuigen in zijn openhartig vertelde persoonlijke geschiedenis, terwijl hij op hetzelfde moment met al die ogenschijnlijke kleinigheden grote thema’s weet aan te snijden.

Negentien jaar is Knausgård als hij zijn intrek neemt in een studentenkamer in het Noorse Bergen. Hij heeft een jaar daarvoor als leraar in het noorden van het land gewerkt, maar nu zal hij eindelijk een start kunnen maken met het verwezenlijken van zijn droom. Hij is namelijk toegelaten tot de schrijversacademie, en dat is op zich al reden tot stille bewondering bij menigeen.

Maar het pakt allemaal anders uit dan Knausgård had gehoopt. Maken zijn oudere medecursisten geleidelijk vorderingen, zoals uit de toenemende kwaliteit van hun werk blijkt, hijzelf blijft steken in een allesoverheersend gevoel van incompetentie.  Hij neemt zichzelf veel te serieus, vindt een van de cursisten, maar Knausgård kan niet anders. Schrijven is zijn roeping, zijn levensvervulling, iets waar alles voor moet wijken – en het is dan ook een heel zware domper te moeten constateren dat het hem niet lukt. ‘Ik had een inzicht verkregen. Het was duurbetaald, maar echt en cruciaal: ik was geen schrijver. Wat schrijvers hadden, had ik niet.’

Ondertussen komen we alles over zijn leven naast het schrijven te weten. Knausgård is een stille, afwachtende jongeman, die pas loskomt als hij drank op heeft. Hij neemt dan ook regelmatig het nodige in, of eigenlijk meer dan het nodige. Niet zelden drinkt hij al zijn remmen los, om de dag erna te ontnuchteren met een reusachtige kater en een evengroot schuldgevoel over wat hij in zijn dronkenschap gedaan heeft.
De liefde doet haar intrede in Knausgårds leven in de persoon van Gunvor en met het verstrijken van de tijd worden de twee door iedereen erkend als stel.

Na het teleurstellende jaar op de schrijversacademie begint Knausgård in Bergen halfslachtig aan een universitaire studie, komt er sleet op zijn verhouding met Gunvor en nemen de gevolgen van zijn drinken steeds groteskere vormen aan. Hij ziet zichzelf als eenling, met maar een paar echte vrienden en voor de rest van zijn sociale contacten afhankelijk van zijn oudere broer Yngve en diens vriendenkring. Samen spelen ze in een band en brengen ze avonden en nachten in cafés door. De verhouding met zijn broer wordt op scherp gezet als Yngve een relatie aangaat met Knausgårds meisje van zijn dromen. De enkele vrienden die hij heeft, blijken ook nog eens betere schrijvers – in elk geval debuteren ze eerder dan hij. En dan is er bovenop dat alles de moeizame relatie met zijn dominante vader.

Knausgård geeft echter niet op. Hij moet en zal schrijven. Hij blijft zoeken naar zijn eigen stijl, zijn grote verhaal in vele mislukte probeersels en blijkt ondertussen een bekwaam en erkend schrijver over andermans werk. Opnieuw komt er een grote liefde in zijn leven, Tonje, en tenslotte valt alles samen en lijkt hij zichzelf als schrijver te hebben gevonden. ‘Er was geen handeling, ik wilde het innerlijke met het uiterlijke verweven, de zenuwbanen in de hersenen met de vissersboten in de haven.’

Zijn debuutroman verschijnt en eindelijk maakt Knausgård deel uit van het literaire wereldje. Hoewel hij als basis voor zijn debuut uit zijn eigen leven heeft geput, schrijft hij dat verhaal met de nodige distantie en legt hij in het openbaar geen verbanden met zijn persoonlijke belevenissen. Het is een fraai spiegelpaleis waar Knausgård ons binnenleidt, omdat hij op dit punt in zijn cyclus die openheid allang wel heeft getoond.

Ook in dit deel van Mijn strijd spaart Knausgård zichzelf niet, maar uit zijn teleurstelling, onvermogen, wanhoop, verbittering, verdriet en dronkenschappen zien we de schrijver Karl Ove Knausgård zoals we hem nu kennen ontstaan en vorm krijgen. Met terugwerkende kracht worden nog maar eens de drijfveren duidelijk waaruit ook de vorige delen zijn voortgekomen. Schrijver levert de volgende imposante bouwstenen van een monumentaal levenswerk.

Rien Broere

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De verdwijningen

Fred Vargas, De verdwijningen
Vertaald door Rosa Pollé en Nini Wielink
Oorspronkelijke titel:  L’armée furieuse
Uitgeverij De Geus, Breda 2014
412 pagina’s
ISBN 978 90  445 2159 7
€ 18,95  (e-boek € 14,99) 

Met De verdwijningen schreef Fred Vargas een volgend deel in haar serie met de eigenzinnige commissaris Adamsberg in de hoofdrol. Wie de andere delen met plezier gelezen heeft, zal ook nu niet worden teleurgesteld. Voor wie de Adamsberg-reeks nieuw is, is dit een mooie gelegenheid de kennismaking aan te gaan.

De start van het verhaal heeft wel iets van de manier waarop Amerikaanse films beginnen. In een kort hoofdstuk lost Adamsberg door logisch denkwerk en een vleugje psychologisch inzicht vlotjes een moord op. We weten met wat voor iemand we van doen hebben.

Kort daarna wordt Adamsberg – commissaris bij de Misdaadbrigade van het Hoofdcommissariaat van de politie in Parijs, team Moordzaken – aangeklampt door een oudere vrouw, die vanuit haar dorpje Ordebec speciaal naar de hoofdstad is afgereisd om de commissaris te spreken. De dochter van de vrouw heeft in een visioen het Woeste Leger gezien – en dat is geen best voorteken.

Het Woeste Leger is volgens de legende een ‘half in ontbinding verkerend, razend, bloeddorstig dodenleger waarvoor geen plek is in de hemel.’ In het visioen is sprake van ‘geronselde’ levenden, in dit geval dorpsgenoten van de vrouw. Die levenden zullen volgens de overlevering kort na hun verschijning in het visioen sterven. De geronselden zijn zonder uitzondering mensen met iets misdadigs op hun geweten, zonder daar ooit voor te zijn bestraft. Het Woeste Leger maakt die omissie op genadeloze wijze ongedaan.

Aanvankelijk doet Adamsberg het hele verhaal af als folklore, tot er daadwerkelijk doden vallen. Hoewel het dorpje niet tot zijn officiële werkterrein behoort, gaat de commissaris er toch heen om zich met dit raadselachtige, maar evengoed dodelijke fenomeen bezig te houden.

Ondertussen spelen in Parijs ook nog een paar kwesties, kleine zowel als grote. Zo is een duif door iemand gemaltraiteerd door de pootjes van het koerende beestje met een snijdend dun touwtje aan elkaar te binden, en is er een dode gevallen bij een autobrand. De notoire brandstichter die van deze misdaad beschuldigd wordt, kan rekenen op de bescherming van de commissaris, die in zijn onschuld gelooft. Zowel de duif als de pyromaan  vinden onder Adamsbergs hoede onderdak in het dorpje.

De eerste aangekondigde doden leggen inderdaad het loodje. Adamsberg moet alle zeilen van zijn getrainde, gezonde rechercheursverstand bijzetten om de mythische proporties van de voorvallen tot het werk van een aards, misdadig brein terug te brengen. Met assistentie van zijn vaste teamleden bij de Brigade weet hij de ogenschijnlijke kluwen aan ongerijmdheden te ontwarren, waarbij duidelijk wordt dat enkele zaken die ze onderhanden hebben veel meer met elkaar te maken hebben dan op het eerste gezicht aannemelijk lijkt.

Vargas slaagt er moeiteloos in de verschillende dimensies van haar verhaal met elkaar te verbinden en als een geloofwaardig geheel te presenteren. Met de onconventionele Adamsberg heeft zij een karakter in handen dat door zijn aanpak en denkwijze ook dit verhaal weer genoeg lucht geeft en op zijn tijd goed is voor een glimlach. Intussen raak je als lezer als vanzelf in de ban van het verhaal, dat met zijn soepele stijl uitnodigt tot dóórlezen.

Rien Broere

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Sutler

Richard House, Sutler
Vertaald door Anneke Bok en Nan Lenders
Oorspronkelijke titel: The Kills: Sutler
Uitgeverij De Geus, Breda 2014
380 pagina’s
ISBN 978 90  445  2818 3
€ 17,50 (e-boek € 13,99) 

In een interview naar aanleiding van zijn boek zegt House over de wederopbouwactiviteiten van de Amerikanen in Irak (de achtergrond waartegen Sutler zich afspeelt): ‘Er kwamen letterlijk vliegtuigen vol contant geld, pallets met dollars, het land binnen.’ Hij heeft dit gegeven als een van de uitgangspunten voor zijn thriller genomen.

Stephen Lawrence Sutler heeft een baan aangeboden gekregen bij een bouwproject ergens in de Iraakse middle of nowhere. Van tevoren is met hem de afspraak gemaakt dat hij zonder mankeren en vragen te stellen zal vertrekken als dat van hem wordt gevraagd. Dat het om een schimmig project gaat, weet Sutler ook wel. Sutler is namelijk een verzonnen naam voor John Jacob Ford. En zoals te verwachten was: het sein tot vertrek komt.

Als dank voor bewezen diensten wacht hem een bedrag van 250.000 dollar, gestort op een geheime rekening, die hij kan bereiken met behulp van enkele speciale codes die hem worden toegespeeld. Het wordt geen vertrek met stille trom. Op de plek waar Sutler naartoe is gedirigeerd, volgt een zware ontploffing, waarbij een van Sutlers metgezellen omkomt. Gehavend verlaat Sutler de plek des onheils. Het is het begin van een lange zwerftocht door Irak naar Turkije, Malta en Frankrijk. Gaandeweg komt hij erachter dat hij een gezocht persoon is. Volgens berichten in de media zou hij er met 53 miljoen dollar van het fantoom-bouwproject vandoor zijn.

Onderweg ontmoet Sutler een aantal anderen waar hij voor korte of langere tijd mee optrekt. Een van die ontmoetingen is met een journalistenstel dat hem als de gezochte Sutler herkent en achter hem aangaat. Als hij aansluit bij een drietal – twee jonge mannen en een jonge vrouw – dat in Turkije is om een documentaire te maken, leidt dat er uiteindelijk toe dat medewerkers van een detectivebureau hem op de hielen zitten. Het bureau is door de moeder van een van de jongemannen van het drietal ingehuurd om hem op te sporen. Hij is na een laatste ontmoeting met Sutler een berg opgegaan en vervolgens spoorloos verdwenen. Ondertussen is Sutler ook nog eens de codes kwijtgeraakt waarmee hij bij de geheime rekening kan.

Met al deze verwikkelingen, de verscheidenheid aan karakters en de wisselende decors is Sutler een caleidoscopische en bijzondere roman geworden. Het geheel krijgt nog een extra dimensie in de vorm van filmpjes die de auteur bij diverse delen van zijn verhaal heeft gemaakt en online gezet. Ze zijn niet onontbeerlijk om de gebeurtenissen te kunnen volgen, maar voegen wel iets extra’s toe aan de toch al bijzonder sfeer van het boek. Dat dit alles tot een opmerkelijk resultaat heeft geleid, blijkt ook wel uit het feit dat Sutler als enige thriller is genomineerd voor de prestigieuze Man Booker Prize 2013. Sutler is het eerste deel van de zogenaamde The Kills-reeks; er zullen nog drie delen verschijnen.

Rien Broere

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Gewetenloos

Carlos Zanón, Gewetenloos
Vertaald door Marika de Bakker en Ester van Buuren
Oorspronkelijke titel:  No llames a casa
Uitgeverij De Geus, Breda 2014
281 pagina’s
ISBN 978 90  445 2904 3
€ 19,95  (e-boek € 15,99) 

Natuurlijk, Gewetenloos is een thriller, maar het is ook een psychologische roman waarin Carlos Zanón met een prettig literaire stem vertelt over het leven van zijn hoofdpersonen aan de rand van de maatschappij, waarbij hij hun wezen, hun drijfveren, geheimen en verlangens blootlegt. Het verhaal draait om het driemanschap Bruno, Raquel en Cristian, dat rondscharrelt in de Barcelonese onderwereld, al nemen ze daarbinnen geen al te prominente plek in. Ze verdienen hun brood – en in Raquels geval haar drugs – met afpersing. Bij hotels waar kamers per uur te huur zijn, wachten ze de mannen op waarvan ze vermoeden dat die zojuist een herdersuurtje hebben beleefd. Een vage kennis levert het drietal aan de hand van het kenteken een naam en adres en in een aantal gevallen is het prijs.

Ze zijn niet meer de allerjongsten. Bruno is de leider van het gezelschap – een status die hem in zijn eigen ogen en zonder dat de anderen daarvan weten, recht geeft op een groter deel van de buit. Raquel is nu ruim twee jaar zijn vriendin. Ze loopt tegen de vijftig, heeft uit een vorig huwelijk drie kinderen – ‘een nietsnut van achtentwintig, een broekie van twintig en een puberdochter van veertien’ – en leeft een leven waarin ‘drugs hebben alles verkloot.’ Toen ze Bruno leerde kennen, trok ze al enige tijd op met Cristian, haar halfbroer. Tenminste, in die waan laat ze Bruno. Die denkt ‘dat ze broer en zus zijn van dezelfde vader. En dat ze daarom niet met elkaar naar bed zijn geweest. Maar dat klopt niet. Noch het een, noch het ander.’

Het afpersen is al een hele tijd tamelijk probleemloos verlopen, maar dan kantelt hun criminele voorspoed. Bruno kiest een keer de verkeerde man om af te persen, iets wat hem hardhandig duidelijk wordt gemaakt. Een ander slachtoffer betaalt, door Bruno in het nauw gedreven, een veel te hoge prijs. En dan is er nog Max. Ook die levert niets meer op, omdat hij zijn vrouw inmiddels heeft verlaten in de verwachting dat zijn minnares Merche op haar beurt haar man zou verlaten om met hem een nieuw leven te beginnen. Maar met zijn beschikbaarheid lijkt Max een groot deel van zijn glans voor Merche te hebben verloren. ‘Omdat ze Max heeft én haar man, voelt ze zich begeerd, gewild, drukbezet, het stralende middelpunt. Dat heeft een prijs. En die betaalt ze. Klaar.’ Als het erop aankomt, wil ze echter het liefst alles bij het oude laten. De rollen worden omgedraaid als Max Cristian inhuurt om dit keer juist wél zijn affaire met Merche bekend te maken aan haar man.

Gewetenloos is een roman waarin zekerheden plaats maken voor twijfels, angsten en een ongewis noodlot. De band tussen de drie verkruimelt, een leven aan de zelfkant dreigt Raquel fataal te worden. Max gaf zijn huwelijk op, maar kreeg er niet voor terug waar hij op meende te mogen rekenen. Als in de slothoofdstukken de situatie van de hoofdpersonen ‘een jaar later’ wordt geschetst, lijkt het evenwicht in de verschillende levens enigszins te zijn hersteld. Bruno leeft verder zonder zijn Raquel. Cristian lijkt het criminele leven in Barcelona te zijn ontvlucht. En Max is uiteindelijk toch samen met Merche.

Maar dan doet de auteur in een terugblik nog even een cruciale gebeurtenis in detail uit de doeken, waarmee hij een geheel nieuw licht op de ontstane situatie werpt. En dan is voor de zoveelste keer duidelijk dat er als het erop aankomt alleen verliezers zijn in het spel dat zijn protagonisten speelden. De vernuftige opbouw van het verhaal, de achteloos doeltreffende stijl, het vakmanschap waarmee Zanón een sfeer weet op te roepen en de genadeloze manier waarop hij het wezen van zijn personages blootlegt, leveren echter ook een winnaar op. De lezer, welteverstaan.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Het leven van een ander

Frédérique Deghelt, Het leven van een ander
Vertaald door Marijke Scholts
Oorspronkelijke titel:  La vie d’une autre
Uitgeverij De Geus, Breda 2014
281 pagina’s
ISBN 978 90  445 1990 7
€ 18,95  (e-boek € 14,99) 

Het is vrijdag 12 mei 2000, ziet Marie op de krant van die dag staan. Maar ze weet: gisteravond was het donderdag 12 mei 1988. ‘Eén dag verschil. Maar het staat er zwart-op-wit, en dat betekent dat er twaalf jaar voorbij zijn gegaan. In 1988, waarin ik nog steeds denk te zijn, heb ik Pablo net ontmoet. Maar in 2000, waarin ik ineens ben aanbeland, hebben we twee kinderen. Waar was ik al die tijd? Ik kan me er niets van herinneren …’ Marie zal ermee moeten leren leven. Ze heeft een periode van twaalf jaar uit haar geheugen gewist. Vanuit het niets zal ze het leven van echtgenote en moeder moeten leiden. Ze zal het gat in haar herinnering met kleine puzzelstukjes proberen te dichten, tot ze zich een beeld kan vormen van alles wat er in die verloren jaren met haar is gebeurd.

Materieel gezien heeft ze haar leven goed voor elkaar. Ze woont met haar gezin in een riant appartement in Parijs, haar man Pablo verdient goed, ze ziet in haar kledingkast dat ze haar inkopen bij de duurdere winkels doet. Dat is één kant van haar teruggevonden leven. Niet iets om van te schrikken. Dat doet ze wel als al snel blijkt dat ze zelfs drie jonge kinderen heeft, die haar zonder reserve en met veel liefde als moeder het gezin binnen trekken. Ook dit lijkt nog overkomelijk. Het is niet moeilijk genegenheid voor het jonge drietal te voelen. Maar hoe is het met haar man? Houdt ze van hem? En haar vrienden, haar werk, hoe zit het daarmee? De resultaten van twaalf jaar van haar leven zijn volop zichtbaar in haar omgeving. Maar hoe zit het met de keuzes die ze gemaakt heeft die tot dit bestaan hebben geleid?

De conclusie die Marie trekt ligt voor de hand. er moet iets ergs zijn gebeurd wat haar tot het wissen van haar geheugen heeft gedwongen. Er moet iets schokkends gebeurd zijn, maar wat? En wie is er voor die gebeurtenis verantwoordelijk? Zijzelf? Marie zal niet alleen haar leven moeten zien te reconstrueren, ze zal ook zichzelf opnieuw moeten leren kennen en achter haar eigen geheimen moeten zien te komen. En dat is waar het in Het leven van een ander om gaat: een vrouw die met een open blik haar eigen leven bekijkt, maar van een afstand, als een derde persoon. Marie leeft het leven van een ander.

Deghelt had haar verhaal veel complexer kunnen maken als ze de figuren uit Maries verloren leven meer naar voren had geschoven. Zij moeten immers merken dat er veel is in haar handelen dat niet klopt met hoe ze haar kennen. De schrijfster kiest echter voor de puzzel. Ze laat Marie tegen haar man en kinderen zwijgen over haar geheugenverlies en neemt ons mee op haar zoektocht naar zichzelf. Maar dat is één kant van het geheel. In mijn roman De opgraving (De Harmonie, 1989), waarin een man met geheugenverlies de hoofdrol speelt, heb ik een citaat van Marcel Proust als motto opgevoerd: ‘Wij zijn elk ogenblik doende ons leven zijn vorm te geven, maar kopiëren daarbij onzes ondanks, als was het een tekening, de trekken van degeen die wij zijn en niet van degeen die het ons zou gelieven te zijn’. Dit gegeven speelt natuurlijk ook voor Marie. Is zij in haar nieuwe bestaan de vrouw die zij was, of is zij in staat zichzelf en haar nieuwe leven een andere richting te geven?

De stijl die Deghelt voor haar verhaal heeft gevonden is een voltreffer. De dialogen gaan zonder zich van het beschrijvende te onderscheiden vaak op in het geheel van Maries gedachten. Die springerigheid maakt als het ware haar verwarring tastbaar. Deghelt gunt haar protagoniste de ruimte om het gat in haar geheugen te dichten. Of zij daarin slaagt en of ze daarmee in harmonie met haar vroegere zelf en haar omgeving verder kan, moet hier onbesproken blijven. Een groot deel van het plezier voor de lezer van Het leven van een ander zit in het feit dat hij de zoektocht van Marie stapje voor stapje meemaakt. In elk geval vraagt Marie zich af of haar geheugen, ‘waarvan het verlies me enige tijd onherstelbaar leek, niet gewoon hoogmoed was, gemaakt van beloftes die ik nooit heb waargemaakt. Ik kom erachter dat het vergeten de gave heeft iets te fabriceren wat het geheugen niet kan produceren.’

Rien Broere

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De benedenrivier

Paul Theroux, De Benedenrivier
Vertaald door Suzan de Wilde en Maarten Polman
Oorspronkelijke titel:  The Lower River
Uitgeverij Atlas Contact 2012
382 pagina’s
ISBN 978 90 254 4218 7
€ 12,50

Ellis Hock, de 62-jarige, mannelijke hoofdpersoon in De Benedenrivier, runt een winkel in herenkleding. Het is niet echt zijn keuze, maar als familiebedrijf is de winkel uiteindelijk in zijn handen gekomen. Zelf noemt hij het, als onderdeel van zo’n beetje de rest van zijn leven, ‘de levenslange gevangenisstraf die hij ooit had gevreesd.’ Nee, dan was het in Afrika, waar hij als jongvolwassene vier jaar van zijn leven doorbracht, heel wat plezieriger. Daar, in het dorpje Malabo, was het leven zoals het zijn moest, daar was hij iemand met een zekere status die hielp bij de bouw van een kerkje en een basisschool. Geëerd om wat hij voor de bevolking bereikte, gevreesd om het feit dat hij geen angst voor slangen kende en ze zelfs durfde te vangen. Daar was hij de Slangenman.

Hock brengt nog een beetje sjeu in zijn uitgebluste winkeliersleventje door met enkele vrouwelijke klanten via e-mail te corresponderen. De duizenden berichtjes die hij verstuurde en ontving waren zogezegd ‘warm van toon, zodat het een totale blootlegging van zijn privéleven was.’ Als zijn vrouw deze mails onder ogen krijgt – ‘Je hebt er “liefs” onder gezet!’ – is het gedaan met zijn huwelijk. Als ook nog zijn dochter hem definitief de rug toekeert - zij het na eerst haar deel van de erfenis te hebben opgeëist - is zijn leven voor zijn gevoel voorbij. Hij verkoopt de zaak en vult zijn dagen met mijmeren over zijn tijd in Afrika, de gelukkigste jaren van zijn leven.

Hock had zich in Malabo thuis gevoeld en als hij de jaren daar vergelijkt met zijn latere leven, moet hij constateren ‘dat er niets was in zijn leven dat kon tippen aan het plezier dat hij toen in zijn leven had gehad.’ De beslissing is bijna onvermijdelijk: Hock pakt wat kleren en een tandenborstel in, vult een tas met geld en gaat voor een paar weken terug naar de plek waar hij vroeger woonde, het dorpje bij de Benedenrivier. Eenmaal ter plekke heeft hij niet veel tijd nodig om te constateren dat er van alles wat hij heeft opgebouwd weinig over is. Het schooltje en de kerk zijn vervallen en in onbruik geraakt, de bevolking is nog altijd even arm en leeft geïsoleerd van de buitenwereld.

Vanaf hier zet Theroux zijn meesterschap volledig in. Zowel in zijn beschrijvingen van het land en zijn bewoners, als de wijze waarop hij de idealist Hock aan datzelfde land en zijn bewoners ten onder laat gaan. Zoals in zijn fenomenale roman Muskietenkust is het ook in De Benedenrivier een verval dat langzaam maar onafwendbaar zijn beslag krijgt, een onomkeerbaar slopend proces. Doordat Hock lang en krampachtig aan zijn idealen blijft vasthouden, duurt het even voor de teloorgang ook tot hemzelf doordringt. En dan is het te laat. Lijkt het er in het begin nog op dat de dorpelingen Hock met zekere egards behandelen, gaandeweg wordt hun gedrag – van volwassenen zowel als kinderen – brutaler en schaamtelozer en tonen ze waar het hun werkelijk om gaat: Hocks tas met geld. De enige manier om de hebzucht letterlijk buiten de deur te houden, is door het geld in een mand met een slang erin te verstoppen.

Eén lichtpuntje is er slechts in Hocks miserabele leven: het jonge meisje Zizi, dat voor hem zorgt en waar hij alles wat er nog aan liefde in hem over is aan kwijt kan – al houdt hij zich op seksueel gebied op gepaste afstand.

Theroux is geweldig in het beschrijven van Afrika, in het scheppen van een beklemmende sfeer, in het invoelbaar maken van de neergang van zijn hoofdpersoon. Onder zijn pen wordt het Afrikaanse binnenland steeds groter en onherbergzamer, de blanke man steeds nietiger. In De Benedenrivier laat Theroux ons de onontkoombaarheid van het lot zien en het gevaar van het idealiseren van herinneringen. Maar daarnaast lijkt het erop dat hij, met zijn eigen jaren in Afrika als achtergrond, ons wil voorhouden dat we met alle goedbedoelde hulp niet veel verder zijn gekomen dan dat we de westerse hebzucht hebben weten over te brengen. Dat is weliswaar geen prettige boodschap, Theroux heeft haar wel verpakt in een fantastisch verhaal.

Rien Broere

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Verloren onschuld

Elizabeth George, Verloren onschuld
Vertaald door Fanneke Cnossen
Oorspronkelijke titel:  Just One Evil Act
Uitgeverij A.W.Bruna, Utrecht 2014
768 pagina’s
ISBN 978 90  449 6098 3
€ 22,50

Verloren onschuld is een volgende misdaadroman van Elizabeth George met de charismatische, adellijke inspecteur Thomas Lynley in de hoofdrol, al moet hij dit keer die plek delen met zijn slonzige collega brigadier Barbara Havers. Het is háár buurmeisje dat op een dag verdwenen lijkt te zijn, en de band die Havers heeft met dit meisje én met haar vader brengt haar ertoe zich tegen de bevelen van haar superieur in met de vermissing bezig te houden. In plaats van Havers stuurt de leidinggevende Lynley naar het Italiaanse plaatsje Lucca, waar de verdwijning heeft plaatsgevonden. Lynley ziet zich met die opdracht tussen twee vuren geplaatst. Hij moet schipperen tussen zijn plichtsbesef ten opzichte van zijn meerdere en zijn loyaliteit ten opzichte van Havers.

Het meisje is in feite twee keer verdwenen. Eerst heeft haar moeder haar uit haar vaders huis in Londen meegenomen naar Italië om de man buitenspel te zetten, maar dan verdwijnt het meisje vijf maanden later ook nog eens op een wonderbaarlijke manier tijdens een bezoek aan de markt met haar stiefvader. In feite berust de leiding van het onderzoek bij de Italiaanse politie, en is inspecteur Lynley naar Italië gestuurd als aanspreekpunt voor de Engelse familieleden van het meisje. Natuurlijk schikt hij zich niet helemaal in de rol van toeschouwer en probeert hij op zijn kalme en soms wat omzichtige manier te achterhalen wat er met het meisje gebeurd zou kunnen zijn.

Havers heeft over die gebeurtenissen zo haar eigen ideeën. Ze doet een beroep op een privédetective, niet wetende in welk wespennest ze daarmee belandt. Om aandacht voor de zaak te krijgen, leent ze zich zelfs als bron voor een journalist van de schandaalpers. Ze mag daarmee dan wel voor druk op de ketel zorgen, het brengt haar ook in een min of meer chantabele positie.

Terwijl de politie onder leiding van hoofdinspecteur Salvatore Lo Bianco, terzijde gestaan door Lynley, haar best doet de dader of daders van de ontvoering op te sporen, weet de lezer waar het meisje terecht is gekomen. George wijdt enkele scènes aan de beklemmende, enigszins surrealistische omgeving waarin het meisje is beland. Het is maar goed dat de agenten niet stilzitten en de verdwijning weten op te lossen. Eind goed, al goed, zou je denken, ware het niet dat de schrijfster nog een onverwachte wending in petto heeft. Niet alleen blijkt de ontvoering deel van een ondoorzichtige intrige, uiteindelijk lijkt de dood van een van de protagonisten niet zo’n natuurlijke oorzaak te hebben als aanvankelijk wordt aangenomen.

In Verloren onschuld schetst George op een vanzelfsprekende manier de verschillen in optreden van de Engelse en Italiaanse politie. De karakters van Lynley en Havers zijn inmiddels bekend genoeg, maar een boeiende nieuwe figuur is de inspecteur Lo Bianco. Hij is een man die de zaken en de mensen om hem heen genuanceerd bekijkt, en mede door de tegenwerking van zijn rechtlijnige meerdere wordt hij al snel iemand die de lezer voor zich weet te winnen. George neemt uitgebreid de tijd voor haar verhaal en soms doet ze dat al te wijdlopig. Dat maakt ze echter weer goed door de fraaie tekening van de typisch Toscaanse omgeving waarin vriend en vijand hun mysterieuze wegen bewandelen.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Schuim

Robert Anker, Schuim
Uitgeverij Querido, Amsterdam 2014
302 pagina’s
ISBN 978 90 214 5492 4
€ 19,99

Jaren geleden stond er in een weekblad een strip van Kamagurka. Op verschillende plaatjes zien we een man in een telefooncel. Elke keer belt hij weer een ander met een fantastische belofte (‘Ik betaal je morgen alles terug, met rente!’ ‘Ik weet het nu zeker: jij bent de grote liefde van mijn leven!’ enz.), om op het laatste plaatje voor een aanstormen de vrachtwagen te stappen met de woorden: ‘Ik heb gevoel voor drama, maar het moet wel goed voorbereid zijn.’ Onwillekeurig moest ik daaraan denken bij het lezen van de zelfmoordscène in Ankers nieuwste boek Schuim. Niet Kamargurkiaans komisch bedoeld weliswaar, gezien het waarom van de noodlottige handeling, maar getuigend van een groot gevoel voor drama. Het is Ankers kwaliteit dat zelfs die gebeurtenis niet larmoyant of breed uitgemeten wordt, maar binnen de perken van zijn verhaal blijft.

Schuim is een luchtig iets, opgeklopt en grotendeels gevuld met lucht. Die luchtigheid dringt door Ankers stijl bij tijd en wijle – en op de goede momenten – in de vertelling door, maar ook weer niet zo dat het inhoudsloos wordt en de boel betekenisloos uit elkaar spat. Dit Schuim is een stevig verhaal over de wereldberoemde violiste Lisette Wagenaar – de gelijkenis met Janine Jansen is opzettelijk – die op een dag aan het eind van een concert opgebrand voor de voeten van Jaap van Zweden in elkaar zakt en voor langere tijd het spelen eraan moet geven. Het geeft haar de ruimte zich op haar liefde voor en de relatie met de getrouwde dominee Niels Hemming te concentreren.

Die verhouding moeten ze voor de buitenwereld verborgen houden omdat dominee Niels de schaakvriend van Lisettes vader is. En die laatste – havenbaron Dirk Wagenaar – is een man met wiens luimen niet te spotten valt. Hij is overigens ook een man die bij het verwezenlijken van zijn zakelijke idealen er niet voor terugdeinst nu en dan de wettelijk gebaande paden te verlaten. Maar ook op menselijk vlak is Dirk vaak onbehouwen of ronduit bot, en dan hangt er ook nog eens een incestueus vleugje om hem heen als het gaat om de omgang met Lisette toen ze zes jaar was. ‘Een gelukkige jeugd met een droevige toets’ is de kernachtige omschrijving van de kinderjaren van de violiste.

‘Muziek is als schuim,’ denkt Lisette, ‘je kunt er prachtige bellen van blazen, iriserend, doorzichtig en pats, dan zijn ze weg.’ Hoe kwetsbaar en ongrijpbaar al dat moois ook is, voor Lisette is het ’t belangrijkste in haar leven, ook al betekent het dat ze ervoor moet lijden. Haar liefde voor muziek is een andere dan die ze voor anderen voelt – voor de dominee, voor haar vader – maar grootser en dwingender. In feite worstelen alle personages in Schuim met de rol van de liefde in hun leven en ze komt dan ook in veel varianten voorbij: onvoorwaardelijk, lichamelijk, opofferend en vernietigend.

Dit grote thema verpakt Anker in een verhaal dat zich afwikkelt als een soap, met een reeks aan figuren die niet ongeschonden uit hun strijd met het leven zijn gekomen en waar wel iets aan mankeert, maar die het schuimige karakter van de soap ontstijgen door de manier waarop Anker ze neerzet, de vaart die hij de gebeurtenissen weet te geven, de soepele overgangen van het ene personage naar het andere en de achtergrond waarmee hij hun levens inkleurt waardoor ze meer dan vluchtige passanten worden. En hoe uitvergroot sommige karakters dan ook mogen zijn, allemaal voeren ze hun strijd, zoeken ze zingeving en houden ze de moed erin. Dat wil zeggen, allemaal op één na dan. Maar zoals ‘havenbaron, waaghals, verliezer en opkrabbelaar’ Dirk Wagenaar aan het eind van het boek nuchter opmerkt: ‘Nou ja, iedereen heeft zijn sores’, om het geheel met een groot feest in de Schouwburg af te sluiten. Het tekent de sfeer van het boek als blijkt dat dit lawaaierige gedruis een opmaat is voor een moment van verstilling waarin Lisette eindelijk haar vader weet te raken.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Butcher's crossing

John Williams, Butcher’s Crossing
Vertaald uit het amerikaans door Edzard Krol
Lebowski Publishers, Amsterdam 2013
334 pagina’s
ISBN 978 90 488 1674 3       
€ 24,95

De roman Butcher’s Crossing van de in 1994 overleden Amerikaanse auteur John Williams speelt in het Amerika van 1870, toen de nieuwe tijd nog net niet in zicht was, tenminste als je maar ver genoeg landinwaarts  trok. Dat is precies wat Will Andrews doet. Hij breekt zijn studie aan Harvard aan de oostkust van de VS (Cambridge, Massachusetts) af, komt middenin de VS in de kleine nederzetting Butcher’s Crossing in de staat Kansas terecht en besluit om met drie mannen op bizonjacht te gaan.
Na een lange tocht komen ze, geteisterd door hitte, dorst en onbegaanbare paden in een verborgen vallei terecht, waar zich inderdaad de enorme kudde bizons ophield die Miller tien jaar eerder gevonden had. Zijn gezag als leider was gevestigd. Hij liet er geen gras over groeien. Nauwkeurig beschrijft Williams hoe hij de munitie prepareert, de taken verdeelt over de drie anderen en na een nacht zijn eerste bizon - de aanvoerder van de kudde - doodt. Het ziet er bijna kalm uit, hoe hij aanlegt en schiet, hoe de bizon neerzijgt en de andere dieren hiervan weinig notie lijken te nemen. Dat geldt ook voor het vakmanschap waarmee het beest door Schneider gevild wordt.

Vanaf dat moment wordt Miller geleid door een obsessie om de hele kudde uit te moorden. Andrews wordt een ervaren vilder. De huiden worden verzameld en geprepareerd. Als de winter hen overvalt, moeten ze de lente afwachten voordat ze door de besneeuwde bergen terug kunnen.  Ze richten zich een winterverblijf in.  
 
De verteller volgt het viertal op de voet. De ervaringen van Andrews staan centraal. Voor hem is alles nieuw, hij ondergaat alles, hij wil leren: hoe houd je een span ossen in bedwang, hoe drijf je bizons in het nauw, hoe overleef je een plotselinge sneeuwstorm, hoe pas je je aan in een gezelschap van een dronkaard, een door obsessies verblinde leidsman en een koppige vilder-vakman? En hoe verdraag je de aanblik van honderden gedode bizons verspreid over de hele vallei, de walging van verdorven bizonvlees, de uitzichtloosheid van deze onderneming?    

De verteller vertelt zijn verhaal in lange hoofdstukken. In een sublieme stijl van helder geformuleerde  zinnen krijgen de mannen hun karakter, gezicht, houding en gedrag. En hun doem, want het dreigt alom in deze roman. Na hun lange winterverblijf beginnen ze aan de terugtocht met een karrenvracht aan bizonhuiden. De voortdurende onrust wordt nog eens gevoed door onderlinge spanningen en onverwachte tegenslagen, maar die blijken telkens van voorbijgaande aard. Er komt zelfs een moment van vertrouwen op de goede afloop.  

Op humor kun je de verteller niet betrappen, maar van de absurditeit van menselijke ambities getuigt hij wel. Als dat maar consequent genoeg getoond wordt - en dat is hier het geval - dan krijgt deze verteller vanzelf een grauwe grijns op zijn smoel. Met gevoel voor decorum gooit hij er bij de terugkeer van het gehavende gezelschap in Butscher’s Crossing nog een schepje bovenop. Erger kan immers altijd. Wat vandaag nog van waarde is, heeft morgen niets meer te betekenen en kan de brandstapel op. Dat is hier dan ook het geval.  

Andrews heeft tegen die tijd de gezochte ontwikkeling gevonden. Dat is mooi. Deze roman heeft iets van de zuivering waar een beetje lezer van mooie literatuur naar op zoek is. Laten we het daar maar op houden.
   
Maarten van Boxtel

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Wat dood is

Belinda Bauer, Wat dood is
Vertaald door Valérie Janssen
Oorspronkelijke titel:  Rubbernecker
Uitgeverij A.W.Bruna, Utrecht 2014
320 pagina’s
ISBN 978 94 005 0344 1
€ 19,95

Belinda Bauer is volop geprezen om haar vorige thrillers die zich alle afspeelden in en rond het kleine plaatsje Shipcott. Met Wat dood is heeft ze zichzelf overtroffen en niet alleen omdat ze voor een andere decor heeft gekozen, maar vooral door de manier waarop ze een aantal verhaallijnen tot een fraai geheel weet te knopen. Ze schrikt er daarbij niet voor terug deels te kiezen voor een in feite onmogelijk perspectief – dat van een comapatiënt – en zich in de gedachtegang van iemand met het syndroom van Asperger te verplaatsen. Dat laatste levert daarbij ook nog enkele luchtige momenten in het geheel op omdat de patiënt nu eenmaal geneigd is alles opmerkingen letterlijk te nemen.

Patrick, de jongeman met Asperger, is van jongs af al een buitenbeentje en een grote zorg voor zijn moeder. Dat zal hij blijven, ook als hij de leeftijd heeft bereikt om aan de universiteit aan een studie geneeskunde te beginnen - een studie waarvan hij overigens alleen het onderdeel anatomie volgt. Patrick heeft zo zijn eigen redenen om te willen weten hoe een mens er vanbinnen uitziet, hij ‘wil weten wat er gebeurt als het leven ophoudt.’ De anatomische lessen vinden plaats in een apart gebouw, waar Patrick met een groepje andere studenten een kadaver – de benaming die de anatomiedocent en –studenten aan een lijk geven – van een man moet ontleden om zo diens doodsoorzaak te achterhalen. Tijdens een van de ontleedsessies meent hij te ontdekken dat de dode man onder zijn mes niet op een natuurlijke manier aan zijn einde is gekomen.

Een tweede verhaallijn speelt zich af op het randje van de dood. Op de afdeling neurologie ligt een aantal comapatiënten. Sam Galen is een van hen. Hij is bij een ongeluk om het leven gekomen en in coma geraakt. Gevangen in zijn levenloze lichaam heeft hij heldere gedachten en herinneringen en ziet hij fragmentarisch wat er om zijn bed heen gebeurt. Zo kan het dat hij meent te zien hoe een als arts geklede person de comapatiënt in het naastgelegen bed om het leven brengt.

Dan is er nog verpleegster Tracy, belast met de dagelijkse verzorging van de comateuzen. Zij ziet haar kans schoon het aan te leggen met de man van een patiënte, in de wetenschap dat de echtgenote niet werkelijk tot de levenden kan worden gerekend en dus op geen enkele manier de affaire zal belemmeren, noch door zo’n verhouding gehinderd zal zijn. De hoofdstukken vanuit haar perspectief werken wel verwarrend als het gaat om het tijdsverloop, omdat de voortgang van haar zwangerschap niet oploopt met de vertelde tijd in de overige hoofdstukken.

Tot slot geeft Bauer ook Patricks moeder Sarah het woord. Zij lijdt zoals gezegd al vanaf de vroegste jeugd onder het gedrag van haar Aspergerzoon, wiens opvoeding na de dood van zijn vader helemaal voor haar rekening komt en waarvoor ze vlucht in de drank.

Uiteindelijk komen alle lijnen samen in de ontleedzaal, als Patrick, nadat hij van de opleiding is weggestuurd, op eigen houtje zijn gelijk over de ware toedracht van de dood van het kadaver wil bewijzen. Het leidt vanuit onverwachte hoek tot een confrontatie en een al even onverwachte ontknoping.

Het aantrekkelijke van Wat dood is zit vooral in de manier waarop de auteur haar protagonisten een geloofwaardige stem geeft die van binnenuit komt. Patricks reacties als gevolg van zijn aandoening zijn invoelbaar en laten iets zien van de verwarring waar het syndroom de patiënt mee opzadelt. De comapatiënt Sam geeft ze met kleine stapjes een bewustzijn en op die manier maakt ze de machteloosheid van zijn gevangenschap in een willoos lichaam invoelbaar en de angst tastbaar om wat hij heeft gezien en waarvan hij vreest zelf het slachtoffer te worden. In feite geldt dat machteloze gevoel gevangen te zitten voor alle personages: Sam in zijn comateuze situatie, Patrick in zijn autistische wereldje, zijn moeder in haar onvermogen haar zoon werkelijk te bereiken en in feite ook verpleegster Tracy in haar verlangen naar geborgenheid.

                                 
Rien Broere

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Onder de grond

Courtney Collins, Onder de grond
Vertaald door Robert Neugarten
Oorspronkelijke titel:  The Burial
Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2014
272 pagina’s
ISBN 978 90 290 8937 1
€ 19,95

 

Gruwelijk, mooi – dat zijn de woorden die ik zou willen gebruiken voor het begin van Collins debuutroman Onder de grond. Gruwelijk vanwege de gebeurtenis die de auteur beschrijft, maar mooi als het gaat om de manier waarop ze dat doet. Jessie graaft een graf voor haar pasgeboren kind en als de kuil diep genoeg is, brengt ze het om het leven en begraaft het. Het toont Collins vakmanschap als ze voor delen van de geschiedenis die volgt aanvaardbaar maakt dat het dit overleden kind is dat van de vlucht van Jessie verslag doet.

Onder de grond is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van de Australische Jessie Hickman, maar Collins tilt het verhaal naar een hoog literair niveau. De fraaie stijl van de inleiding houdt ze moeiteloos de rest van het boek vol, met mooie beschrijvingen van de ongerept woeste Australische natuur. Tegen dit onherbergzame decor brengt ze een aantal personages tot leven die samen het verhaal vertellen van Jessies tocht op haar paard Houdini, op de vlucht voor een groep mannen die op haar jaagt vanwege de prijs die op haar hoofd staat.

Collins houdt de geschiedenis levendig door heen en weer te springen in de tijd en hoofdstukken te reserveren voor enkele van de achtervolgers van Jessie. Gaandeweg komen we te weten wat zich in haar leven heeft afgespeeld tot het noodlottige moment van de dood van haar kind. Al jong belandt ze in het Wereldcircus Mingling Bros, waar ze haar vaardigheden te paard vertoont en vriendschap sluit met een jonge waaghals. Nadat het circus is gestopt, maakte ze haar behendigheden te paard te gelde als veedief, maar uiteindelijk belandt ze in de gevangenis.

Na haar vrijlating komt ze onder voogdij van Fitzgerald Henry – kortweg Fitz – die haar min of meer dwingt met hem te trouwen. Daarmee is ze overgeleverd aan zijn nietsontziende brute grillen. Als tegenhanger van dit liefdeloze huwelijk heeft Jessie een korte verhouding met de Aboriginal Jack Brown, een affaire waarin de belofte besloten ligt van een toekomst waarin wel sprake is van genegenheid. In elk geval wordt duidelijk dat Jessie alle reden had Fitz om te brengen, haar kind te doden en op de vlucht te gaan.

Een rustpunt tijdens haar vlucht vormt de tijd die ze doorbrengt bij een bende jonge veedieven. Het is in die harmonieuze omgeving dat haar zorgzaamheid naar boven komt, een kant van Jessies karakter die de tegenpool vormt van de hardheid die ze ook in zich heeft; hardheid die nodig is om zich in een ruwe mannenwereld staande te houden. Bovendien valt niet alle hardheid die ze als vrijgevochten vrouw toont haar aan te rekenen, maar is die een gevolg van de omstandigheden.

‘Als aarde kon spreken, wiens verhaal zou het dan vertellen?’ is de zin waarmee Collins het eerste hoofdstuk begint. Het is in dit geval het verhaal van Jessie Hickman geworden, en de stem die Collins aan de aarde heeft weten te geven klinkt overtuigend en indrukwekkend, en is van grote schoonheid.

Rien Broere

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De slager van Klein-Birma

Håkan Nesser, De slager van Klein Birma
Vertaald door Ydelet Westra
Oorspronkelijke titel:  Styckerskan från Lilla Burma
Uitgeverij De Geus, Breda 2014
441 pagina’s
ISBN 978 90 445 3102 2
€ 19,95 (e-book € 15,99)

Inspecteur Barbarotti – hoofdpersoon in een vijfdelige reeks boeken van de Zweedse auteur Håkan Nesser – heeft al het nodige meegemaakt in zijn leven, maar dat wordt echt van zijn fundament beroofd als hij op een ochtend wakker wordt en zijn geliefde Marianne dood naast zich vindt. Een aneurysma werd haar fataal. Barbarotti verdwijnt even van het speurderstoneel en probeert met zijn vijf kinderen de tragische gebeurtenis te verwerken.

Nog geen maand later hebben Barbarotti’s collega Eva Backman en commissaris Asunander op het politiebureau het erover dat het goed voor de weduwnaar zou zijn weer aan de slag te gaan, al lijkt het beter hem niet meteen met een actuele zaak op te zadelen. De commissaris besluit hem een onopgeloste vermissing van vijf jaar geleden te laten onderzoeken. Deze cold case is indertijd geseponeerd omdat het onderzoek al vrij snel vastliep. Op de vraag van Backman wat de commissaris denkt dat Barbarotti met deze zaak kan, haalt Asunander ‘huichelachtig zijn schouders op. “Iets om hem bezig te houden. (…) En als hij niets vindt, is er ook geen kwaad geschied.”’

Barbarotti meent te begrijpen dat hij deze zaak als een soort arbeidstherapie krijgt toegespeeld, maar besluit ermee aan de slag te gaan. Het betreft de vermissing van de man van een zekere Ellen Bjarnebo. Hij is op een dag op zijn brommer vertrokken om een krantje te halen en is nooit meer teruggekeerd noch teruggevonden. Pikant aan de zaak is dat Ellen eerder is veroordeeld voor de moord op haar toenmalige echtgenoot. Ze had hem doodgeslagen, in stukken gezaagd en zijn overblijfselen in het bos verborgen. Het leverde haar de bijnaam ‘de slager van Klein Birma’ op.

Klein Birma is de naam van de boerderij waar Ellen indertijd met haar eerste man Harry woonde. Er is ook een Groot Birma, een even verderop gelegen boerderij die wordt gerund door Harry’s neef Göran. Op Klein Birma is armoe troef, maar neef Göran gaat het voor de wind. Het is echter niet alleen de armoede waar Ellen en haar zoon Billy onder lijden. Harry is een gewelddadige drinkebroer die voortdurend het leven van zijn vrouw en zoon zuur maakt. De jonge Billy is zelfs zo bang van zijn vader dat hij geen woord zegt. Al met al een situatie die het begrijpelijk maakt dat er een moment kwam dat er een eind aan Harry’s leven werd gemaakt.

Ellen heeft haar straf uitgezeten, is dus met een tweede man gaan samenwonen, en die lijkt van de aardbodem verdwenen. Er is geen enkele aanwijzing die erop duidt dat Ellen ook hierin de hand zou hebben gehad. Nu Barbarotti zich opnieuw over de vermissing buigt, stuit hij echter ook op onvolkomenheden in het onderzoek naar de moord op Ellens eerste man. Hij zou Barbarotti niet zijn als hij zich niet in de zaken zou vastbijten en stukje bij beetje de ware toedracht boven zou halen.

Nesser geeft zijn lezers de gelegenheid zich een beeld van de ware toedracht te vormen door
af en toe een hoofdstuk in te voegen waarin vanuit Ellens perspectief verteld wordt wat er zich op Klein Birma heeft afgespeeld. Het is een handige manier om ons met Barbarotti’s bevindingen op te laten lopen en wezenlijke vragen te stellen over schuld en boete. Barbarotti wordt bij dit alles gehinderd door zijn verdriet om Mariannes dood en zoekt zijn heil in gesprekken met God. Laten we het op een getroebleerde geest houden die hem het idee geeft dat zowel Onze Lieve Heer als zijn gestorven vrouw zich tot hem richten en hem houvast bieden. Dat de dode Marianne zelfs de komst van een brief aankondigt, en dat die brief ook werkelijk in de bus valt, moeten we dan maar voor lief nemen.

Afgezien van deze onwerkelijke spirituele kant van het verhaal is ook De slager van Klein Birma weer een proeve van Nessers bekwaamheid. Hij slaagt erin nuances in morele oordelen aan te brengen waardoor ook de misdadiger een menselijk gezicht krijgt en er op ogenschijnlijk eenduidig slechte daden een ander licht wordt geworpen. Dat alles verpakt hij in een goed verhaal dat uitnodigt om dóór te lezen. Met De slager van Klein Birma blijkt Nesser zijn Barbarotti-reeks af te sluiten - en dat is jammer. Er zullen echter ongetwijfeld andere boeken van hem in vertaling bij De Geus verschijnen – en dat is een prettig vooruitzicht.

Rien Broere

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De waarheid over de zaak Harry Quebert

Joël Dicker, De waarheid over de zaak Harry Quebert
Vertaald door Manik Sarkar
Oorspronkelijke titel:  La Vérité sur l’Affaire Harry Quebert
Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2013
608 pagina’s
ISBN 978-90-234-7760-0
€ 19,90

 

‘Een tekst is nooit af,’ zegt de gelauwerde schrijver Harry Quebert tegen zijn al even succesvolle adept Marcus Goldman. ‘Er komt alleen een moment dat hij minder slecht is dan daarvoor.’ Het is een aansporing om als schrijver steeds opnieuw te beginnen en nooit op te houden met het overdenken van zinnen. Misschien had Dicker zelf dit adagium iets beter ter harte moeten nemen, want er zit… tja… laat ik het houden op een aantal ongerijmdheden en slordigheidjes in zijn roman. Zo is Harry op het moment dat Goldman bij hem intrekt om aan de opvolger van zijn debuutroman te werken 67 jaar en een maand later opeens 70. Er staan zinnen in het boek als ‘Ik moet er een goed uur hebben gestaan, want ik hoorde algauw een auto achter me.’ En als Goldman met een sleutel een deur opent, noemt een advocaat hem een tovenaar.

Harry Quebert is een groot schrijver. Dat vindt in elk geval zijn pupil Marcus Goldman en verder moeten we dat maar geloven want de citaten uit zijn ‘meesterwerk’ illustreren die kwalificatie niet echt. De wijsheden die Harry zijn volgeling voorhoudt zijn op zijn minst goed voor een frons (‘Harry, hoeveel tijd kost het om een boek te schrijven?’ ‘Dat hangt ervan af.’ ‘Waarvan?’ ‘Van alles.’). Hoe dan ook, de man heeft miljoenen exemplaren van zijn boek verkocht. Goldman is zelf trouwens ook al zo’n ongekend succesvolle schrijver, met een debuutroman ‘waar iedereen over sprak’ en miljoenen verkochte exemplaren. Helaas worstelt de jonge schrijver met een onwrikbaar writer’s block. De oplossing daarvoor komt in de vorm van een onopgeloste verdwijning van een vijftienjarig meisje in het plaatsje Aurora – vlakbij de plek waar Harry resideert.

Harry – hopeloos verliefd; hij schrijft, gezeten in het plaatselijke café, dagenlang de hele dag door alleen maar haar naam in hoofdletters - blijkt een verhouding met deze Lolita te hebben gehad en als dat uitkomt is het commentaar van de dorpsbewoners voorstelbaar. Voeg daarbij het feit dat na 33 jaar de botten van het vermoorde meisje worden opgegraven in de tuin van de grote schrijver Quebert en het verklaart waarom hij de eerste verdachte is. Marcus Goldman is natuurlijk overtuigd van de onschuld van zijn voorbeeld, werpt zich op als speurneus en pluist de zaak tot op de bodem uit, waarbij het goed uitkomt dat de politie indertijd bij het onderzoek de nodige steken heeft laten vallen en nooit echt grondig op de zaak is ingegaan. Voor hij die bodem bereikt, heeft hij een lange weg afgelegd; een weg vol valkuilen en obstakels, doodlopende stukken en onverwachte splitsingen. Goldman is echter een volhouder en dat komt goed uit, want uiteindelijk leveren al zijn belevenissen stof voor een nieuwe, al bij voorbaat opnieuw ongelooflijk succesvolle roman van zijn hand.

Er valt genoeg op de literaire waarde van De waarheid over de zaak Harry Quebert af te dingen, al zouden ze het boek tien prijzen toekennen. Maar als je die waarde buiten beschouwing laat, blijft er een stevig geconstrueerd verhaal over, met verrassende wendingen en een gedoseerd opgebouwde spanning waar voor de liefhebber van het whodunnit-genre genoeg van te genieten valt.

Rien Broere

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Twee broers

Jhumpa Lahiri, Twee broers
Vertaald door Ko Kooman
Oorspronkelijke titel:  The Lowland
Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2013
431 pagina’s
ISBN 978-90-290-8840-4
€ 19,95

 

Als kind deden ze al veel samen, de broers Subhash en Udayan, en vanaf het begin van hun geschiedenis zoals Lahiri ons die vertelt, is duidelijk dat de oudste, Subhash, de bedachtzame van het tweetal is en dat het avontuur in hun jongensleven moet komen van Udayan. Subhash ‘was het gelukkigst als hij alleen was, of zich alleen voelde. ’s Ochtends in bed, als hij het zonlicht als een rusteloos vogeltje op de muur zag dansen.’ Udayan ‘was voortdurend zoek (…) en kon van het ene moment op het andere verdwijnen.’ Het is het verschil in karakters tussen beiden dat het verloop van hun verdere leven bepaalt.

De jeugd van de jongens vormt niet meer dan een korte inleiding. Twee broers is het verhaal van twee jonge volwassenen en de uit hun verschillende karakters voortvloeiende keuzes die ze maken. Opgegroeid in het zuiden van Calcutta, verlaat Subhash India om in Amerika te gaan studeren. Udayan blijft zijn geboortestreek trouw. De keuze voor een studie in de VS is verstandig en weldoordacht en het studentenleven op Rhode Island verloopt op zich dan ook zonder al te veel schokkende gebeurtenissen. Dat er zich toch hobbels in het leven van de oudste voordoen, komt door de daden van zijn jongere broer, die zich in India ontpopt tot een politiek activist. Hij sluit zich aan bij een communistische partij die geweld niet schuwt om de idealen te verwezenlijken. Ook Udayans handen blijven niet schoon, met als uiterste consequentie dat hij in 1971 door de politie wordt vermoord.

Als Subhash na de dood van zijn broer naar India reist om met zijn ouders te rouwen, blijkt zijn broer ondertussen getrouwd te zijn met Gauri. Wat Udayan nooit heeft geweten, is dat Gauri zwanger van hem is. Subhash ziet het haast als zijn plicht de plek van zijn broer in te nemen en Gauri te huwen. Samen keren ze terug naar Amerika, waar het meisje Bela wordt geboren. Subhash voedt haar met evenveel liefde op als was zij zijn eigen vlees en bloed en tussen vader en dochter ontstaat een hechte, liefdevolle band. Die liefde ontbreekt tussen Subhash en Gauri, al zoekt hij wel toenadering tot haar. Voor Gauri is dit teveel gevraagd. Ze is ‘bang, nu ze getrouwd waren, om hem te leren kennen, om hun levens samen te voegen, om intiem met hem te worden.’ Uiteindelijk kiest Gauri er zelfs voor om met de noorderzon te vertrekken. Het zal tientallen jaren duren voor er volledige opheldering komt over het hoe en waarom van haar vlucht en de waarheid ook voor Bela boven tafel komt.

In Twee broers borduurt Lahiri verder op het thema dat ze ook in haar vorige boeken aansneed, namelijk de vervreemding van iemand die zijn oorspronkelijke cultuur verruilt voor een totaal andere, en het ontheemde gevoel dat daarvan een onvermijdelijk gevolg is. Maar daarnaast zet ze ook twee mensen tegenover elkaar die wezenlijk met elkaar verbonden zijn maar diametraal tegenover elkaar staan als het gaat om de bepalende keuzes die ze in hun levens maken. Keuzes die hen uit elkaar drijven. Twee broers is ook een verhaal geworden over de gevolgen die politieke stellingname kan hebben voor iemands persoonlijke leven. Keuzes in het leven zijn onvermijdelijk. Lahiri laat op grootse wijze zien dat niemand daaraan ontkomt, maar ook dat elke keuze, hoe voorzichtig die misschien ook lijkt, bepalend is – niet alleen voor jezelf, maar soms ook voor de mensen om je heen.

Rien Broere

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De duimsprong

Miek Zwamborn, De duimsprong
Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2013
256 pagina’s
978 90 282 6091 7
€ 17,50

‘Geologie is het oog van de geschiedenis. Het landschap heeft alles gezien’, is een uitspraak van de 19e eeuwse Zwitserse geoloog Arthur Heim. Hij is een van de hoofdpersonages in de roman De duimsprong van Miek Zwamborn, een jonge Nederlandse schrijfster die eerder de romans Oploper (2001) en Vallend hout (2004) publiceerde, beide goed voor nominaties op de longlist van de Ako literatuurprijs.

Heims werk is vooral bekend van zijn zelf gemaakte, uiterst nauwkeurige maquettes van gebergten die de ik-vertelster, alter ego van de schrijfster, voor het eerst ziet in de kelder van de Bibliothek Erdwissenschaften in Zürich, de stad waar Heim woonde en werkte. In zijn voetsporen trekt ze dagen achtereen door onherbergzame streken in Zwitserland. Ze gaat niet alleen letterlijk zijn gangen na, ze verdiept zich ook in zijn leven, dat goed gedocumenteerd bewaard gebleven is in onder meer notitieboekjes en brieven aan zijn lief Maria Vögtlin of zijn broer Ernst.

Opvallend zijn de vele foto’s van Heim, zijn schetsen van bergen, afbeeldingen van stenen (‘Een zeldzame steen heeft een vinder nodig’, schrijft ze) en rotsen die ze tegenkomt. Op vrijwel iedere pagina is wel iets te zien, zij het niet per se als een plaatje bij een praatje, soms als een uitgestelde illustratie, maar altijd in samenhang met het verhaal. De vertelster kijkt goed, verrast met observaties van bijvoorbeeld de opvallende zool van Heims wandelschoen tussen de grote groep zittende studenten met hun schoenen, hamertjes, wandelstokken en hoeden tijdens een van zijn vele excursies: ‘ontroerend detail, intiemer nog dan een blote voet (…) dringt zichzelf aan de kijker op (….) een beetje ijdel ook, zo’n schone zool (…) Ik zie tegelijkertijd het profiel en de afdruk, de aankondiging en het overblijfsel van Heims aanwezigheid in het landschap.’
 
Het zijn bepaald geen ongevaarlijke wandelingen die zij in haar eentje door de Alpen maakt. Het landschap is wat het is en laat zich op een onverschillige manier gelden. Ze loopt over gletsjers, beklimt steile wanden, heeft het koud, slaapt in een  klein tentje op afgelegen plekken, schuilt voor onweer, bliksem, hagelbuien. Zwamborn heeft alles zelf gelopen, beschreef nagenoeg gelijktijdig haar indrukken. Niets heeft ze zelf verzonnen, waardoor het een doorleefd verhaal geworden is waarin werkelijkheid en fictie in elkaar overlopen, er ook niet toe doen.

De sleutelpassage in deze roman – want dat is het uiteindelijk wel – gaat over het moment dat ze zich realiseert dat haar tochten allemaal pogingen waren ‘om te ontsnappen aan de somberheid die in de Val Punteglias weer was toegeslagen. Ik weet nog dat ik me in de auto realiseerde dat de nabijheid van Heim het missen van Jens ophief. Ik verdoezelde de leegte, verloor me in een achtervolging om aan het allerergste voorbij te gaan’.

Jens (geen achternaam) is de man met wie ze jarenlang trektochten maakte door de Zwitserse bergen.  In het eerste hoofdstuk vertelt ze over hun laatste moeizame beklimming van de Tödi, een berg in de Glarner Alpen, waarna hij spoorloos verdwijnt. Wat rest zijn haar herinneringen aan wandelingen die ze met hem maakte. Ze neemt zich voor zijn gangen letterlijk na te gaan en die vallen dan langzaam maar zeker samen met de tochten van Arnold Heim.   

De duimsprong is een fascinerende leeservaring, waarbij je vergeefs zoekt naar houvast: de structuur heeft kenmerken van de klassieke reisverhalen, de plekken bepalen de verhalen die verteld worden. Tijdens de wandeltochten wordt de vertelster in eerste instantie gegidst door de verloren Jens, maar die maakt allengs plaats voor de avontuurlijke geest van Heim.   

Zwamborn schrijft in mooie zinnen die geïnspireerd zijn door de bijzondere landschappen, of minstens haar ervaring van de omgeving weerspiegelen. Deze roman is boven alles een bijna meditatief eerbetoon aan het kalmerende wandelen: ‘Lopen hielp tegen de haast onverdraaglijke leegte. Het maakte niet uit waar ik liep. (…) Ik was de som van alle plekken waar ik ooit kwam. Ik was de plek zelf, onherbergzaam en vliedend, iets in de verte. Ik ademde de grond. Ik schoof voortdurend op. Ik werd een wandelaar en wandeling en landschap ineen, een vluchtige schaduw. Ik probeerde te verdwijnen, ik wilde verdwijnen.’
 
Maarten van Boxtel

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De mislukkingskunstenaar

Willem Otterspeer, De mislukkingskunstenaar. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel 1 (192 – 1952)
Uitgeverij De Bezige Bij, 2013
862 pagina’s
ISBN 978 90 234 7661 0
€ 39,90


Willem Frederik Hermans was een zonderlinge kwant, bepaald geen vrolijke Frans. Hij liet zich met zijn boeken in dit opzicht bepaald niet onbetuigd. In zijn tweede grote roman Ik heb altijd gelijk riep hij de woede van de katholieken over zich af door hoofdpersonage Lodewijk  Stegman voluit tegen hen te laten fulmineren:  ‘Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar die naaien erop los. Die planten zich voort als konijnen, ratten, vlooien, luizen’. Natuurlijk zal zijn sarcasme door anderen weer als een opluchting ervaren zijn, bevrijdend wellicht. Zulke dingen moeten nu eenmaal gezegd kunnen worden. Het juridische getouwtrek dat erop volgde over wat een auteur in zijn fictieve proza al of niet vermag, heeft Hermans in ieder geval de herrie bezorgd waarvan hij wist dat het nodig was om bekend te blijven. Van de verkoop van zijn boeken alleen zou hij immers niet leven.

Willem Otterspeer tekent in zijn biografie de schrijver als het literaire geweten van zijn tijd. Hermans  eiste van schrijvers een volledige toewijding die moest leiden tot totalitaire literatuur. Niet veel collega’s konden zijn toets der kritiek doorstaan. In Nederland had hij veel op met Bordewijk, Multatuli was zijn ijkpunt, Slauerhoff kon ook nog, evenals  Du Perron,  maar diens eis dat een roman blijk moest geven van het karakter van een vent i.p.v. het gepruts met vormen, wilde Hermans toch graag zien als een tegenstelling tussen vorm en inhoud. Hij verfoeide de naoorlogse epigonen van het bekende vooroorlogse tijdschrift Forum, publiceerde zijn messcherpe essays in literaire tijdschriften. Voor hem was het zonneklaar, zoals hij in Criterium schreef: ‘Een geschrift dat mij niet bevalt, beschouw ik als een persoonlijke belediging.’

Op deze ongezouten manier maakte hij vriend en vijand in duizenden brieven, vele dagboeken en volgeschreven agenda’s  duidelijk hoe hij erover dacht, beter nog, hoe het moest. Hij werd daarbij gedreven door angst, want ‘angst is het vruchtwater waarin ik ondergedompeld ben’, schreef hij in het verhaal Het grote medelijden. Daartegenover zette hij de agressie om zijn angst te overwinnen.  Daarmee ‘is misschien wel de fundamentele polariteit van zijn persoonlijkheid geraakt, de twee krachtbronnen die de energie voor zijn oeuvre zouden opwekken. Ze maakten van Willem Frederik Hermans de dierlijkste van onze schrijvers’, aldus Otterspeer.

De biograaf baseert zich bij alles op verschillende bronnen, waarbij hij de verhalen en romans van Hermans op eenzelfde manier meeneemt als bijvoorbeeld zijn Fotobiografie (1969) en zijn brieven. Alles van hem is uiteindelijk autobiografisch. Dit leidt tot indrukwekkende passages over bijvoorbeeld het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog toen Hermans het grootste drama uit zijn leven overkwam: de zelfmoord van zijn drie jaar oudere zus Corry. Ze wordt door twee politieagenten gevonden op een afgelegen plek in Amsterdam, samen met haar oudere vriend – en volle neef – Pieter  Blind, beiden met een schotwond in hun hoofd.

Waar het politierapport stopt, gaat Hermans in Ik heb altijd gelijk verder. In het laatste hoofdstuk wordt Lodewijk Stegman van het ene op het andere moment vergezeld door Debora, terwijl zijn echte ‘vriendin’ Gertie het hoekje omgaat. Hij voelt aan haar schotwond op haar slaap. Je moet van steen zijn om hier niet – al is het enigszins – door ontroerd te worden. Dat zal Hermans wellicht niet beoogd hebben, maar het zegt wel iets over zijn ware gevoelens: hij hield van zijn zus.  Dit werpt een ander licht op zijn brieven waarin hij korte metten met haar maakt. Zijn vader moest het overigens als een ‘blok inhalige stompzinnigheid’ in feit en fictie ontgelden.

Voor Hermans is Nederland eigenlijk te klein. In 1948 verblijft hij een halfjaar in Canada, in 1945 en ’46  woont hij enkele maanden in Brussel, maar telkens realiseert hij zich dat hij er als schrijver met een andere moedertaal niets te zoeken heeft.  Het Nederlands is zijn wapen, zijn reden en voorwaarde van bestaan. Nederland deelt het lot van andere kleine, kwetsbare landen die tegen hun wil in een oorlog tussen grote buren betrokken worden. Romans als De tranen der Acacia’s, Het behouden huis, De donkere kamer van Damokles staan in dit opzicht symbool voor het Nederland van Hermans. Hij wist deze positie te relativeren met de opmerking dat wereldliteratuur altijd in provincies speelt ‘waar de hele wereld belangstelling voor heeft’.

De gedrevenheid van Hermans – hij wil schrijven en niks anders – leidt ertoe dat hij ooit een geel kaartje invulde waarmee hij zich aanmeldde voor de Kultuurkamer.  Dit was geen kwestie van goed of fout, volgens Otterspeer (Hermans was ‘afzijdig’), maar een zoveelste bewijs voor het obsessieve schrijverschap dat alle doen en laten van Hermans bepaalde.  Dan wordt hem met terugwerkende kracht veel vergeven, zo dit al nodig mocht zijn voor deze alom bewonderde auteur die zich als raspessimist liet inspireren door Franz Kafka en Louis-Ferdinand Celine over wie hij in een essay in Het Vaderland schreef  dat ze op alle punten verschilden ‘behalve dat ze beiden over proletariers schreven. Dat zijn mensen die geen denktraditie hebben.’

Otterspeer is gewetensvol te werk gegaan. Hij schetst een betrouwbaar beeld  van een man die zich een weg naar het schrijverschap beet, die alles wat hem in de weg stond uit de weg ruimde, lak had aan reputaties, vrienden publiekelijk aan de schandpaal nagelde, voor wie literatuur ‘een zaak van leven en dood’ was. Misschien was het aardig geweest om wat meer over Emmy Meurs te lezen, de vrouw met wie hij in 1950 trouwde. Ze hield het ten slotte haar hele leven met hem uit (en hij met haar). Of er zouden wat meer anekdotes in mogen, zoals de keer dat een dronken Paul Rodenko hardnekkig via een kast naar buiten wilde.

In de inleiding schrijft Otterspeer dat deze biografie aannemelijk moet maken waarom Hermans ‘zus of zo schreef’ en ‘waarom hij schrijver (en niks anders) geworden is’. Hij gaat uit van wat voor Hermans zelf het centrale gegeven van zijn leven was: de mislukking ervan. Dit eerste deel onder de titel De mislukkingskunstenaar (vrij naar Kafka’s De hongerkunstenaar?) over de periode 1921 – 1952 belooft veel voor het tweede deel, waarin het schrijverschap van Hermans volop tot bloei zal komen, te beginnen bij de belangrijke, vruchtbare Groningse periode.  Ik kijk ernaar uit.

Maarten van Boxtel

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Blok

Jan Brokken, Blok, De boekhandelaar van mijn vader
Uitgeverij Atlas Contact, 2012
In opdracht van de Koninklijke Boekverkopersbond t.g.v. 105-jarig bestaan
111 pagina’s
ISBN 978 90 9026 731 9
€ 12,50

Jan Brokken schreef Blok, De boekhandelaar van mijn vader op verzoek van de Koninklijke Boekverkopersbond ter gelegenheid van het 105-jarig bestaan. Hij herinnerde zich een bijzondere man die regelmatig een pakketje boeken bij zijn vader in Rhoon af kwam geven. Hij sprak met Bloks kinderen, verschillende medewerksters uit Bloks winkel en een medewerker van het NIOD. Het gevolg was geen gelegenheidswerkje, maar een boeiend biografisch verhaal op basis van degelijke journalistieke research. Brokken ging zoals in al zijn werk niet over een nacht ijs.

Hij opent met een verzwakte Huib Blok die in 1945 in het concentratiekamp Dachau moet toezien hoe een 18-jarige jongen opgehangen werd. Hij kon zijn angstige ogen niet meer van zich afzetten. Zijn kracht putte hij uit een velletje ruitjespapier dat hij gestolen had van de opzichter. Hierop tekende hij de plattegrond van zijn gedroomde boekwinkel waar tussen de twee etalages een glazen vitrine moest komen voor de meest recente uitgaven. Deze tekening is ook afgedrukt op de voorkaft. Na de oorlog opende hij zijn boekhandel in de Rotterdamse wijk Charlois en in 1954 realiseerde hij daadwerkelijk zijn getekende ‘helder verlichte eiland.’  Een architect was niet nodig.  

Brokken herinnert zich Blok als een beer van een kerel, een zakenman. Het was een boekhandelaar, geen boekenliefhebber, een bullebak voor zijn medewerksters die hij te weinig betaalde. Zijn personeel bleef hem doorgaans lang trouw, zoals Gerdi Quist die 30 jaar zijn winkel leidde. Ze is eenzijdig verlamd, verblijft in een verpleeghuis. Ze wilde Brokken alleen telefonisch spreken want ‘de aanblik van een gehandicapte 84-jarige wil ze me besparen.’ Ze vertelde hem over de norse buien van Blok, hoe hij tegen haar uit kon vallen. Ze wist nog dat de vader van Brokken daar eens getuige van was en het voor haar opnam. ‘Voortaan beschouwde ze mijn vader als haar sympathiekste klant.’   

De vader van Brokken was dominee in Rhoon, Nederlands-hervormd, goed opgeleid. Blok keek tegen hem op. Hij was zelf gereformeerd. Hij raakte in verwarring toen hij merkte dat de gereformeerden de apartheid in Zuid-Afrika verdedigden terwijl ze het nazisme bestreden. Hij zag ze vanaf toen als ‘kleine luyden’, ‘klein van geest, provinciaals van opvatting’. Op deze manier nuanceert Brokken – in de hoedanigheid van Blok – de verzuilde samenleving.

Brokken ging Bloks gangen na, toen die van 1954 tot 1963 voorzitter van de Nederlandse Boekverkopersbond was. Hierdoor lees je mooie insideverhalen over bijvoorbeeld bierhandel De Pijp in Rotterdam waar gegeten werd op houten banken aan houten tafels en gekookt werd op een reusachtig fornuis. De schrijver sprak er – merkbaar tot zijn eigen genoegen – met Maria Heiden, tot voor enkele jaren de inspirerende ‘ziel van Van Gennep’, een boekhandel ‘die hoog genoteerd staat op mijn top veertig’. Dit

Het lukt Brokken om in 110 pagina’s een fraai beeld te schetsen van een man die hij oppervlakkig gekend heeft als de boekhandelaar van zijn vader. Hij wisselt eigen herinneringen af met die van anderen, maakt niets mooier dan het was, belicht de cruciale momenten uit Bloks leven. Zo zocht hij uit hoe zijn eerste vrouw Jurriana van Dijk door een auto-ongeval in 1953 om het leven gekomen was. Blok reed. Hij werd een ‘strompelende weduwnaar van vierenveertig’ die binnen een jaar hertrouwde. Zijn kinderen getuigden van een goed huwelijk.  

In de winkel van Blok werden onder de toonbank de boeken van Jan Cremer en Jan Wolkers (Serpentina’ petticoat, Kort Amerikaans) verkocht. In deze tijd groeide Jan Brokken op. Hij bracht er in het eerste jaar van de middelbare school in Rotterdam veel tijd door. Hij zag hoe Gerard Reve er een liter inkt en een gros kroontjespennen kocht. ‘Voor mij kan de oorlog weer komen’, voegde hij de verkoopster toe. Het zijn mooie persoonlijke herinneringen uit de spraakmakende jaren zestig.    

Brokken schreef het relaas van de op- en neergang van een boekhandelaar, een man met ‘durf en vliegensvlug aanpassingsvermogen’, die over de grenzen heenkeek. Nadat hij zijn winkel aan de Schiedamse Vest in 1984 aan Nijgh en Van Ditmar verkocht, ging het bergafwaarts met hem. In 1990 kwam hij in een verzorgingshuis in Charlois terecht, dementerend: ‘Zijn leven eindigde in een dikke mist’. In 1995 overleed hij. Uitgever Elsevier noemt hem ‘de beste boekverkoper die ik me kan herinneren.’      

Maarten van Boxtel

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Drie graven vol

Jamie Mason, Drie graven vol
Vertaald door Marianne Gossije
Oorspronkelijke titel:  Min Kamp. Tredje bok
Uitgeverij De Geus, Breda 2013
382 pagina’s
ISBN 978 90 445 3213 5
€ 17,50 (e-book € 13,99)

Wie goed doet, goed ontmoet – maar dat geldt even niet voor zachtmoedige Jason Getty, hoofdpersoon in Masons debuutroman. Uitgerekend op de dag dat hij weliswaar ‘niet echt helemaal gelukkig was, maar wel bijna’ ontmoet hij bij een benzinepomp Gary Harris die er ter plekke achter komt dat hij zijn portemonnee is vergeten. Jason besluit een goede daad te verrichten door voor Harris de benzine voor zijn motor te betalen. Het lijkt het begin van een vriendschap, maar dan wel één die uitdraait op pesterij en bedreigingen aan Jasons adres. Harris houdt de arme Jason volledig in zijn greep, tot het moment komt dat Jason voor één keer zijn gezonde verstand verliest en met een paar ferme – en welverdiende – klappen met de antieke telefoon een eind maakt aan het leven van zijn kwelgeest.

Jason begraaft het lijk ergens achter in zijn tuin en doorstaat de tergende angst als moordenaar te worden ontmaskerd. Langzaamaan komt hij weer tot rust in zijn huisje, gekocht met het geld dat zijn vrouw Patty na haar dood aan hem heeft nagelaten. Ze is verongelukt, een droevig feit dat enigszins wordt gecompenseerd door de ‘troostprijs dat hem een grote portie vernedering bespaard was gebleven’. Patty wilde hem namelijk ‘binnen de kortste keren afschrijven als verspilde tijd en hem beschaamd voor iedereen te kijk zetten’.

Omdat Jason in zijn angst voor de ontdekking al die tijd zijn tuin heeft verwaarloosd, besluit hij een tuinmansbedrijfje in te schakelen om de boel te fatsoeneren. En daarmee haalt hij zich pas echt problemen op de hals, want bij graafwerk aan de zijkanten van zijn huis worden maar liefst twee graven blootgelegd met daarin de overblijfselen van een vermoorde man en vrouw. Het stel blijkt een verhouding te hebben gehad en is door de bedrogen echtgenoot om het leven gebracht. Jason beseft dat het een kwestie van tijd is voor de inspecteurs Bayard en Ford en hun hond Tessa het lichaam van Harris zullen ontdekken. Hij dwingt zichzelf tot handelen – en daarmee zet hij een reeks onstuitbare gebeurtenissen in gang die iedereen in beweging brengen en tot een nacht vol verwikkelingen leiden die op een grootse apotheose afstevenen.

Jamie Mason geeft haar fantasie de vrije teugel in een verfrissende stijl die vaak goed is voor een glimlach. Hoe morbide de voorvallen ook zijn, ze weet alles een vermakelijke glans te geven die alles wat er zich afspeelt, hoe fantastisch en onvoorstelbaar misschien ook, moeiteloos aanvaardbaar maakt voor de lezer. Ze neemt de tijd om al haar hoofdpersonen tot leven te laten komen en maakt hun verschillende perspectieven op wat er gebeurt zichtbaar. Ze schrikt er zelfs niet voor terug de hond een vorm van bewustzijn mee te geven – maar ach, waarom ook niet. Het tekent de kracht van Masons proza dat het verhaal nergens over de top gaat, omdat het door de levensechte, gewone mensen die ze gecreëerd heeft voldoende bij de grond wordt gehouden.

Rien Broere

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De zonderlinge avonturen van het geniale bommenmeisje

Jonas Jonasson, De zonderlinge avonturen van het geniale bommenmeisje
Vertaald door Corry van Bree
Oorspronkelijke titel:  Analfabeten som kunde räkna
Uitgeverij Signatuur, Utrecht 2013
352 pagina’s
ISBN 978 90 567 2454 2
€ 19,95 (e-book € 14,99)

Als je met een boek zoveel succes hebt als Jonasson met zijn debuut De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween is het begrijpelijk dat de auteur in zijn volgende roman leunt op de componenten van zijn eersteling die hem dat succes hebben gebracht. Jonasson doet het in elk geval, maar hij doet dat opnieuw met zoveel fantasie en in zo’n doorwrocht verhaal dat de vage afschaduwingen van zijn vorige boek de lezer op geen enkele manier hinderen.

Het meisje uit de titel is de Zuid-Afrikaanse Nombeko, een veertienjarig meisje dat haar schamele kostje verdient als latrinewerkster en dat zich in de loop van de vele jaren die het verhaal bestrijkt, ontpopt als een bijzonder intelligente en leergierige vrouw die de omstandigheden naar haar hand weet te zetten of zich er zodanig aan weet aan te passen dat ze er beter uitkomt. Ze is ook nog eens een bijzonder innemend persoon, wat haar contacten met anderen in het algemeen en machthebbers in het bijzonder ten goede komt.

De bom uit de titel is een heuse atoombom – en dan ook nog eens eentje die officieel niet bestaat. Nombeko wordt buiten haar wil om met het ding opgezadeld als ze in Zweden asiel zoekt. Ze zal er de rest van de vertelling mee rondsjouwen, in haar kielzog gevolgd door een merkwaardig gezelschap bestaande uit een tweeling waarvan de verstandige helft nooit als geboren is opgegeven en de minder ontwikkelde andere helft in zijn vaders voetsporen treedt met maar één doel voor ogen: de koning afzetten; een jonge anarchiste; een Amerikaanse pottenbakker die meent door de CIA te worden achtervolgd; en drie Chinese meisjes ‘met een zwak beoordelingsvermogen’. Het gezelschap wordt op zijn beurt weer belaagd door agenten van de Mossad en de lokale politie.

Genoeg ingrediënten die garant staan voor allerlei fantastische ontwikkelingen, niet alleen op het gebied van gebeurtenissen, maar ook als het gaat om de groei van de diverse karakters. Ze zijn een vreemde mengelmoes die uiteindelijk toch een hecht geheel vormt zonder dat iemand zijn eigen persoonlijkheid hoeft te loochenen. En hoe ingrijpend de gevolgen van iemands daden ook zijn, ze leiden uiteindelijk tot een logische volgende stap, waarbij het toeval door de vanzelfsprekendheid lijkt te worden misleid. Het is de kracht van Jonassons vakmanschap dat alles wat er gebeurt, zelfs als het ongelooflijk wordt, aanvaardbaar blijft.

Wie plezier heeft beleefd aan De 100-jarige… - en dat waren er velen – wordt ook met deze opvolger niet teleurgesteld en zal genieten van de rijkdom en de grillige kronkels van Jonassons fantasie. Wellicht hier en daar over the top, maar wie maalt daarom bij zo’n ingenieus en modern sprookje dat met zoveel vaart wordt verteld dat de mond van de lezer in een constante glimlach gevangen blijft.

Rien Broere

 


Voor de in 2013 besproken boeken, kijk in het archief.

Voor in het seizoen 2010 - 2011 besproken boeken, kijk in archief 2010 - 2011.

Voor in het seizoen 2009 - 2010 besproken boeken, kijk in archief 2009 - 2010.

Voor in het seizoen 2008-2009 besproken boeken, kijk in archief 2008-2009

Terug

T-Hdesign | Copyright Rien Broere All rights reserved. Home - Contact