StadFM

Rien Broere bespreekt regelmatig pas verschenen boeken voor het programma Spotlight. De besprekingen zijn hier te lezen, maar ook op de website van Spotlight: www.roosendaalcultureel.nl


Drie graven vol

Jamie Mason, Drie graven vol
Vertaald door Marianne Gossije
Oorspronkelijke titel:  Min Kamp. Tredje bok
Uitgeverij De Geus, Breda 2013
382 pagina’s
ISBN 978 90 445 3213 5
€ 17,50 (e-book € 13,99)

Wie goed doet, goed ontmoet – maar dat geldt even niet voor zachtmoedige Jason Getty, hoofdpersoon in Masons debuutroman. Uitgerekend op de dag dat hij weliswaar ‘niet echt helemaal gelukkig was, maar wel bijna’ ontmoet hij bij een benzinepomp Gary Harris die er ter plekke achter komt dat hij zijn portemonnee is vergeten. Jason besluit een goede daad te verrichten door voor Harris de benzine voor zijn motor te betalen. Het lijkt het begin van een vriendschap, maar dan wel één die uitdraait op pesterij en bedreigingen aan Jasons adres. Harris houdt de arme Jason volledig in zijn greep, tot het moment komt dat Jason voor één keer zijn gezonde verstand verliest en met een paar ferme – en welverdiende – klappen met de antieke telefoon een eind maakt aan het leven van zijn kwelgeest.

Jason begraaft het lijk ergens achter in zijn tuin en doorstaat de tergende angst als moordenaar te worden ontmaskerd. Langzaamaan komt hij weer tot rust in zijn huisje, gekocht met het geld dat zijn vrouw Patty na haar dood aan hem heeft nagelaten. Ze is verongelukt, een droevig feit dat enigszins wordt gecompenseerd door de ‘troostprijs dat hem een grote portie vernedering bespaard was gebleven’. Patty wilde hem namelijk ‘binnen de kortste keren afschrijven als verspilde tijd en hem beschaamd voor iedereen te kijk zetten’.

Omdat Jason in zijn angst voor de ontdekking al die tijd zijn tuin heeft verwaarloosd, besluit hij een tuinmansbedrijfje in te schakelen om de boel te fatsoeneren. En daarmee haalt hij zich pas echt problemen op de hals, want bij graafwerk aan de zijkanten van zijn huis worden maar liefst twee graven blootgelegd met daarin de overblijfselen van een vermoorde man en vrouw. Het stel blijkt een verhouding te hebben gehad en is door de bedrogen echtgenoot om het leven gebracht. Jason beseft dat het een kwestie van tijd is voor de inspecteurs Bayard en Ford en hun hond Tessa het lichaam van Harris zullen ontdekken. Hij dwingt zichzelf tot handelen – en daarmee zet hij een reeks onstuitbare gebeurtenissen in gang die iedereen in beweging brengen en tot een nacht vol verwikkelingen leiden die op een grootse apotheose afstevenen.

Jamie Mason geeft haar fantasie de vrije teugel in een verfrissende stijl die vaak goed is voor een glimlach. Hoe morbide de voorvallen ook zijn, ze weet alles een vermakelijke glans te geven die alles wat er zich afspeelt, hoe fantastisch en onvoorstelbaar misschien ook, moeiteloos aanvaardbaar maakt voor de lezer. Ze neemt de tijd om al haar hoofdpersonen tot leven te laten komen en maakt hun verschillende perspectieven op wat er gebeurt zichtbaar. Ze schrikt er zelfs niet voor terug de hond een vorm van bewustzijn mee te geven – maar ach, waarom ook niet. Het tekent de kracht van Masons proza dat het verhaal nergens over de top gaat, omdat het door de levensechte, gewone mensen die ze gecreëerd heeft voldoende bij de grond wordt gehouden.

Rien Broere

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De zonderlinge avonturen van het geniale bommenmeisje

Jonas Jonasson, De zonderlinge avonturen van het geniale bommenmeisje
Vertaald door Corry van Bree
Oorspronkelijke titel:  Analfabeten som kunde räkna
Uitgeverij Signatuur, Utrecht 2013
352 pagina’s
ISBN 978 90 567 2454 2
€ 19,95 (e-book € 14,99)

Als je met een boek zoveel succes hebt als Jonasson met zijn debuut De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween is het begrijpelijk dat de auteur in zijn volgende roman leunt op de componenten van zijn eersteling die hem dat succes hebben gebracht. Jonasson doet het in elk geval, maar hij doet dat opnieuw met zoveel fantasie en in zo’n doorwrocht verhaal dat de vage afschaduwingen van zijn vorige boek de lezer op geen enkele manier hinderen.

Het meisje uit de titel is de Zuid-Afrikaanse Nombeko, een veertienjarig meisje dat haar schamele kostje verdient als latrinewerkster en dat zich in de loop van de vele jaren die het verhaal bestrijkt, ontpopt als een bijzonder intelligente en leergierige vrouw die de omstandigheden naar haar hand weet te zetten of zich er zodanig aan weet aan te passen dat ze er beter uitkomt. Ze is ook nog eens een bijzonder innemend persoon, wat haar contacten met anderen in het algemeen en machthebbers in het bijzonder ten goede komt.

De bom uit de titel is een heuse atoombom – en dan ook nog eens eentje die officieel niet bestaat. Nombeko wordt buiten haar wil om met het ding opgezadeld als ze in Zweden asiel zoekt. Ze zal er de rest van de vertelling mee rondsjouwen, in haar kielzog gevolgd door een merkwaardig gezelschap bestaande uit een tweeling waarvan de verstandige helft nooit als geboren is opgegeven en de minder ontwikkelde andere helft in zijn vaders voetsporen treedt met maar één doel voor ogen: de koning afzetten; een jonge anarchiste; een Amerikaanse pottenbakker die meent door de CIA te worden achtervolgd; en drie Chinese meisjes ‘met een zwak beoordelingsvermogen’. Het gezelschap wordt op zijn beurt weer belaagd door agenten van de Mossad en de lokale politie.

Genoeg ingrediënten die garant staan voor allerlei fantastische ontwikkelingen, niet alleen op het gebied van gebeurtenissen, maar ook als het gaat om de groei van de diverse karakters. Ze zijn een vreemde mengelmoes die uiteindelijk toch een hecht geheel vormt zonder dat iemand zijn eigen persoonlijkheid hoeft te loochenen. En hoe ingrijpend de gevolgen van iemands daden ook zijn, ze leiden uiteindelijk tot een logische volgende stap, waarbij het toeval door de vanzelfsprekendheid lijkt te worden misleid. Het is de kracht van Jonassons vakmanschap dat alles wat er gebeurt, zelfs als het ongelooflijk wordt, aanvaardbaar blijft.

Wie plezier heeft beleefd aan De 100-jarige… - en dat waren er velen – wordt ook met deze opvolger niet teleurgesteld en zal genieten van de rijkdom en de grillige kronkels van Jonassons fantasie. Wellicht hier en daar over the top, maar wie maalt daarom bij zo’n ingenieus en modern sprookje dat met zoveel vaart wordt verteld dat de mond van de lezer in een constante glimlach gevangen blijft.

Rien Broere

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Zoon - 3

Karl Ove Knausgård, Zoon (Mijn strijd 3)
Vertaald door Paula Stevens
Oorspronkelijke titel:  Min Kamp. Tredje bok
Uitgeverij De Geus, Breda 2013
602 pagina’s
ISBN 978 90 445 2499 4
€ 25,- (e-book € 19,99)

Toen Knausgård in Vader, het eerste deel van zijn romancyclus Mijn Strijd, over de begrafenis van zijn vader schreef, maakte hij ons duidelijk dat hij weinig aangename herinneringen aan de man bewaarde. In dit deel doet hij aan de hand van een aantal voorvallen uit de doeken op welke manier zijn dominante vader hem in zijn jeugd knotte, commandeerde en te pas en te onpas strafte. Gelukkig is dat niet alles. Ook de manier waarop hij als jongen van de natuur, zijn vrienden en zijn incidentele vriendinnetjes genoot, krijgt alle ruimte.

In dit boek beschrijft Knausgård zijn jeugdjaren vanaf het moment dat ze met het gezin aankomen bij hun nieuwe woning in Tromøya. Het is voor een kind een ideale omgeving, met genoeg natuur om de nieuwbouwwijken heen om ongezien door volwassenen typische kinderstreken uit te halen. Het is een kinderrijke buurt, dus zijn er veel leeftijdsgenootjes om mee te spelen. Daar geniet de jonge Karl Ove dan ook volop van, maar als de tijd is aangebroken dat hij naar school mag, wordt al snel duidelijk dat hij het zichzelf met zijn open, kinderlijke recht-door-zee-kijk op de mensheid in het algemeen en zijn klasgenoten in het bijzonder niet altijd makkelijk zal maken. En daar komt dan ook nog eens de rigide opvoeding van zijn vader bij.

Genoeg materiaal om een treurige roman van te maken, maar dat is een valkuil die Knausgård met gemak weet te omzeilen. Een aantal gebeurtenissen is, hoe schrijnend  voor een kind ook, ronduit komisch. Bijvoorbeeld het moment dat ze op school de eerste zwemles zullen krijgen. Als zijn moeder de dag ervoor van haar werk thuiskomt, is ze vergeten de – verplichte – badmuts voor hem te kopen. Geen nood, de winkels zijn nog even open, en dus haast ze zich om haar omissie recht te zetten. Komt ze terug met een badmuts met bloemetjes erop. Een meisjesbadmuts. Natuurlijk vindt de jongen dat hij zich daarmee niet kan vertonen, maar zijn vader maakt hem meteen hardhandig duidelijk dat hij zal dragen wat zijn moeder voor hem gekocht heeft. De volgende dag, bij aanvang van de zwemles, houdt hij het ding zo lang mogelijk opgepropt in zijn hand, met als gevolg dat juist iedereen naar hem kijkt als de zwemleraar hem dwingt het ding over zijn hoofd te trekken. Je voelt met de kleine Knausgård mee.

Er is een groot verschil tussen de open jongen die buiten met zijn vriendjes speelt en de stille, gesloten Karl Ove binnenshuis als zijn vader aanwezig is. De vader drilt zijn zoons, duldt geen tegenspraak, is niet gevoelig voor argumenten en schroomt niet om fysiek te straffen. De man gedraagt zich thuis niet anders dan op de middelbare school waar hij lesgeeft: streng en meedogenloos. Karl Ove’s moeder is zijn tegenpool, maar haar man is niet iemand die zich door wie dan ook van zijn rechtlijnige aanpak laat afhouden. De auteur noemt haar zijn redster, want als zij er niet was geweest, zou hij alleen met zijn vader zijn opgegroeid en dan ‘… zou ik mezelf vroeger of later op de een of andere manier om zeep gebracht hebben.’

Wat het voor de jongen ook niet gemakkelijker op maakt, is het feit dat hij snel huilde. ‘Ik huilde elke keer dat iemand me uitfoeterde of terechtwees, of als ik verwachtte dat ze dat zouden doen. Meestal was dat papa, bij hem huilde ik al als hij zijn stem verhief…’ Zijn vader ziet hij als een onvoorspelbare factor in een verder simpel en gestructureerd leven waarin voor een kind duidelijk is dat er op zondagen zondagseten met een dessert is en de volgende dag moet je weer naar school. Hij is ontzettend bang voor zijn vader, niet eens voor de pijn die hij hem deed als hij hem sloeg of zijn oor omdraaide, maar bang voor de man zelf, diens razernij die uit het niets opkwam. Een wezenlijke angst die hem elke dag van zijn jeugd kwelde en nooit losliet.

En dan de meisjes. Daarvan zitten er genoeg op zijn school om er nu en dan een uit te kiezen om verliefd op te worden. Ook dat doet de jonge Karl Ove met overgave. Eerst verlopen zijn verkeringen nog op platonische wijze en zadelen ze hem op met de vraag waar je het met een meisje in godsnaam over moet hebben, maar er komt een moment dat er gezoend moet worden. Hoe dat aan te pakken? Karl Ove kiest voor een rigoureuze benadering: met het horloge in de hand besluit hij het minutenlange record van een van zijn vrienden aan te vallen en te verbeteren. Dat lukt glansrijk. De volgende dag maakt het meisje het uit.

Aan het eind van Zoon zit Knausgårds jeugd erop, maar is hij er opnieuw op onnavolgbare manier in geslaagd zijn leven tot in detail voor ons op te roepen en vorm te geven. Het gezin vertrekt uit Tromøya om zich in Kristiansand te vestigen. En nieuwe periode breekt aan in zijn leven. Ook daarvan heeft de auteur inmiddels op onweerstaanbare wijze verslag gedaan in het vierde deel van de reeks: Nacht.

Rien Broere

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Jaap Pleij, Roosend(w)alers 2
Uitgave in eigen beheer, Roosendaal 2013
241 pagina’s
€ 15,-

In mijn bespreking van het eerste Roosend(w)alers-boek van Jaap Pleij noemde ik hem de chroniqueur van het Roosendaalse culturele leven. Daarmee heb ik hem enigszins tekortgedaan. Naast het culturele leven beschouwt Pleij in zijn stukken, meestal vermomd als ‘de bolle man’, evenzeer het maatschappelijke en politieke speelveld, overschrijdt hij daarbij veelvuldig de gemeentegrens en ventileert hij over dit alles ongezouten zijn mening. Een nieuwe proeve hiervan is zijn pasverschenen boek Roosend(w)alers 2.

Zijn wij Roosendalers zoekende? Zijn wij dolenden in de hof van regels en wetten, voornemens en besluiten? Ongetwijfeld. In elk geval zijn we dat in Pleij’s ogen, maar gelukkig is hij er om ons in de vorm van zijn stukjes de weg te wijzen. Dat wil zeggen, hij wijst een kant op die we volgens hem zouden moeten volgen, en doet dat met de vrijheid van de columnist die zijn mening als waarheid mag verkondigen. Of je het nu wel of niet met hem eens bent, Pleij oreert met verve en recht uit het hart. Met ironie, sarcasme of vanuit oprechte boosheid – maar altijd prettig leesbaar.

Pleij – journalist en columnist van diverse websites – bundelde zijn bijdragen van de periode na zijn vorige bundel, die in het voorjaar van 2011 verscheen. Het resultaat is een verzameling van 88 stukken, waarin hij de gemeentelijke grenzen laat voor wat ze zijn. Want Roosendaal mag dan vaak niet van belang zijn voor politiek Den Haag of het Hilversumse mediapark, wat daar gebeurt, is belangrijk genoeg voor Roosendaal.

Pleij gaat geen onderwerp uit de weg, maar hij heeft natuurlijk wel zijn favorieten. Politiek, bijvoorbeeld. Hij laat zijn licht schijnen over de PvdA, die hij gebrek aan daadkracht, binding en realisme verwijt. Hij noemt de econoom Sweder van Wijnbergen als de meest logische premier van Nederland. Of nog zo’n stokpaardje: het Nederlandse medialandschap zoals ons dat vanuit Hilversum wordt voorgeschoteld. Voor Matthijs van Nieuwkerk heeft hij geen goed woord over, al was het maar omdat die – zoals ook Mart Smeets dat deed en Pauw en Witteman dat doen – veel te veel verdient. Johan Derksen (Voetbal International) is in zijn ogen de laatste der televisiepersoonlijkheden (zonder van diens inkomsten te reppen, overigens). Uiteraard krijgt zijn historische kennis weer af en toe ruimte. In stukjes over het koningshuis, bijvoorbeeld. En dan zijn er nog de op Roosendaal toegesneden columns, zoals over de teloorgang van RBC, het IQ Aarmoeinieke of de herinrichting van het Tongerloplein.

Pleij is een man met uitgesproken meningen die hij in zijn teksten niet onder stoelen of banken steekt. Dat is natuurlijk ook het wezen van een column. Die mening mag ter discussie staan – moet dat misschien ook wel. Maar de vaardigheid waarmee stukken geschreven zijn, mag geen vragen oproepen. Die bepalen immers de leesbaarheid ervan en geven de geventileerde standpunten hun kracht. Welnu, er is niets mis met Pleij’s schrijfstijl. Zijn proza loopt soepel en is menigmaal goed voor een glimlach.

Roosend(w)alers 2 is verkrijgbaar bij boekhandel Het Verboden Rijk, De Boekenwurm, de VVV en in de Roosendaalse supermarkt Jumbo. Het kost  € 15,-. Als u ervoor zorgt dat u uw exemplaar bij u draagt als u in de stad bent, heeft u alle kans hem op zijn rondgang door het Roosendaalse tegen het lijf te lopen en kunt u hem vragen het te signeren. Het kan zijn dat hij u totaal in gedachten voorbijloopt. In dat geval denkt hij vast na over weer een nieuw stukje dat u zult kunnen lezen in het t.z.t. ongetwijfeld te verschijnen derde deel van Roosend(w)alers.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De twee hotel Francforts

David Leavitt, De twee Hotel Francforts
Vertaald door Boukje Verheij
Oorspronkelijke titel:  The Two Hotel Francforts
Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam 2013
246 pagina’s
ISBN 978 90 76168 81 4
€ 19,90

Lissabon 1940. In de stad wachten mensen die gevlucht zijn voor het oprukkende oorlogsgeweld op verscheping naar veilige haven. Er zijn in Lissabon twee hotels met dezelfde naam – Hotel Francfort – als gevolg van onenigheid tussen twee broers. Het echtpaar Winters ontmoet de Frelengs op een caféterras tijdens het ontbijt. Twintig pagina’s later heeft Leavitt zijn lezers stevig in zijn greep met prikkelende voorafschaduwingen van de intrigerende gebeurtenissen die de beide echtparen wachten. De echtparen mogen dan voorlopig veilig zijn voor de naderende oorlog, er zijn andere dreigingen waaraan ontsnappen onmogelijk is.

Julia en Pete Winters zijn Amerikanen die naar Parijs zijn verhuisd. Het was Julia’s droom, want alleen daar ‘kon de artistieke impuls die door New York in de kiem was gesmoord wortels krijgen en tot bloei komen.’ Pete geeft graag gehoor aan haar emigratiewens en vindt werk als autoverkoper voor General Motors in de Franse hoofdstad. Hun relatie is dan al op een verloving uitgedraaid, maar het duurt nog even voor Julia, in een gesprek met een derde, ook voor Pete onthult dat ze Joods is en gescheiden. Pete neemt het allemaal min of meer voor kennisgeving aan, en dat typeert zijn kijk op het leven: het overkomt hem, en het is aan hem zich zo goed mogelijk aan de veranderde omstandigheden aan te passen. Dat gebeurt soms vanuit een argeloze inschatting van de gevolgen. Als bij de kennismaking met de Frelengs de man op zijn bril gaat staan, stelt Edward Freleng voor dat de dames samen op stap gaan en dat hij Pete naar zijn hotelkamer brengt. Julia’s bezwaren en Edwards intenties wil Pete niet zien. Hij was, zoals hij zelf na het verlies van zijn bril constateert, ‘immers zo blind als een mol.’

In afwachting van de komst van het SS Manhattan dat voor de oversteek naar New York zal zorgen, brengen de vier veel tijd met elkaar door. Voor een deel zijn de echtparen samen, maar in de loop van een dag scheiden de wegen van de dames zich van die van de heren. Pete, de verteller van het verhaal, beschrijft wat Edward en hij tijdens die uren doen: ze hebben seks. Voor Pete is seks met een man een totaal nieuwe belevenis, die tot heftige gevoelens leidt. Het verlangen naar Edward en het genot dat die hem schenkt, staan in contrast met de nonchalante afstandelijkheid die hij moet tonen als ze met z’n vieren zijn. Julia mag in elk geval niets over zijn affaire te weten komen.

Vier mensen - ieder met zijn eigen geheimen, ontheemd en overgeleverd aan de omstandigheden - knopen een relatie aan die in zichzelf verstrikt raakt. Ze tonen zich op een oppervlakkige manier aan elkaar, maar onder die oppervlakte is weinig zoals het op het eerste gezicht lijkt te zijn. Van de ene kant nadert onstuitbaar en onvermijdelijk de oorlog, van de andere kant moet redding komen in de vorm van het SS Manhattan. Daartussen houdt het noodlot de vier gevangen – een situatie waaruit een ongeschonden uitweg onmogelijk blijkt.

De uiteindelijke gevolgen van de gebeurtenissen in Lissabon laat Leavitt ons op een tamelijk abrupte manier bij monde van Pete aan het eind van zijn verhaal weten. De losse eindjes die uit de verstrikte kluwen van de relatie uitsteken, knoopt hij handig tot een laatste draad. Julia is niet meer, de Frelengs vervolgen hun eigen weg en Pete, illusies armer maar geheimen rijker, weet zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen.
Met De twee Hotels Francfort toont de auteur opnieuw zijn vakmanschap. Onder de buitenkant die de personages ons aanvankelijk tonen, gaan complexe wezens schuil, die zich door Leavitts soepele stijl en meesterlijke vertelkunst als onder röntgenstralen laag voor laag blootgeven.

Rien Broere

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Ergens anders

Richard Russo, Ergens anders
Vertaald door Kees Mollema
Oorspronkelijke titel:  Elsewhere
Uitgeverij Signatuur, Utrecht 2013
215 pagina’s
ISBN 978 90 5672 468 9
€ 19,95 (e-book  € 14,00)

Een aantal verhalen in Russo’s romans speelt zich af tegen het decor van kleine Amerikaanse steden. Deze plaatsen zijn, zoals hij zelf schrijft in zijn memoir Ergens anders, in zijn verbeelding geschapen plekken. Hij koos voor die veilige route om zo de confrontatie uit de weg te gaan met zijn haat-liefdeverhouding ten aanzien van zijn geboorteplaats Gloversville.
Ooit zei Russo tegen zijn moeder, toen zij er na een tijdje te zijn weggeweest terugkeerden, dat hij blij was om weer thuis te zijn. Inmiddels bekruipt hem een verlammende angst bij de gedachte aan terugkeren naar huis – en dat beschouwt hij als een erfenis van zijn moeder. Het echte Gloversville kan hij alleen maar bekijken door de ogen van zijn moeder.

Het zijn Russo’s constateringen aan het eind van zijn reis langs vele plaatsen waar hij een nieuw thuis heeft opgebouwd of heeft willen opbouwen. Een reis die hij als jongeman begon en later als docent en uiteindelijk als schrijver voortzette. Op den duur in het gezelschap van zijn gezin, maar van het begin af aan met zijn moeder in zijn nabijheid. Waar het ook was dat hij domicilie vond, het was altijd slechts een volgende stap op weg naar ergens anders. Het verslag van die reis in etappes doet hij in zijn nieuwste boek Ergens anders. Geen fictie, dus, maar een persoonlijk document. Russo’s soepele stijl en talent voor compositie maakt ook dit memoir tot een uiterst aangename leeservaring.

Ergens anders is een boek over zijn moeder, dat hij schreef nadat ze was overleden. Eerder lukte het hem niet van haar los te komen om hun gezamenlijke leven met voldoende afstand te bekijken en beschrijven. Een leven dat begon in het plaatsje Gloversville in de staat New York, beroemd om de productie van handschoenen en andere lederwaren, waar ze bij Russo´s grootouders inwoonden. Als de jonge Richard te kennen heeft gegeven dat hij zijn universitaire studie aan de andere kant van de VS wil beginnen, besluit zijn moeder met hem mee te gaan. Dat haar ouders haar de reis afraden heeft te maken met haar ‘gesteldheid’. ‘Dat was iets waarvan iedereen in de familie zich bewust was, maar waarover niemand praatte’. Maar er was een woord om haar toestand te beschrijven: ‘zenuwen’. Russo’s moeder had ‘de zenuwen’.

De vader van de auteur heeft dan al lang zijn gezin in de steek gelaten. Als de man zijn zoon een wijsheid wil meegeven, is het de opmerking: ‘Je weet toch hopelijk wel dat je moeder niet spoort, hè?’ Hoe confronterend deze uitspraak ook is, de woede erom slaat om in opluchting. Eigenlijk had hij het altijd al vermoed, was hij er altijd al bang voor geweest. Daarmee komt ook het besef dat hij als kind en als jongvolwassene opgescheept was met angsten en vermoedens waar hij op die leeftijd nog lang niet aan toe was. Het verklaart voor de schrijver die terugkijkt het schuldgevoel dat hem tot het einde toe aan zijn moeder heeft gebonden, de verantwoordelijkheid die hij voor haar heeft genomen, en de ‘fout’ die hij maakte zijn huwelijk en zijn gezin door zijn permanente zorg voor haar in de waagschaal te stellen.

Als Russo zijn studie achter de rug heeft, begint hij als docent aan de universiteit. Ondertussen schrijft hij en er komt een moment waarop de wijzer doorslaat naar het auteurschap. Hij is dan getrouwd en verkast om de zoveel tijd naar weer ergens anders – nooit zonder zijn moeder mee te verhuizen en te zorgen dat ze in de buurt van hem kan komen wonen. Zo wordt Russo’s levensverhaal voor een belangrijk deel dat van zijn moeder – en omgekeerd. Een van de conclusies die hij moet trekken is dan ook dat zijn moeder fundamenteel gelijk had toen ze zei dat hij ooit zo zou denken als zij. Hij snapt wat ze waarschijnlijk bedoelde, namelijk dat hij ooit net zo obsessief, koppig en onbuigzaam zal zijn als zij.

Ergens anders is de met veel begrip en inlevingsvermogen geschreven geschiedenis van een vrouw die zonder dat ze er eigenlijk zelf iets aan kon doen, nooit gelukkig was en dat ook niet kón zijn. Het was immers ‘ergens anders’ dat het beter zou gaan – met haar en met het leven. Het is ook het verhaal van een zoon die zich een leven lang verbonden heeft geweten met zijn moeder. Een verbond dat hem als het ware door de omstandigheden is opgedrongen, maar waar hij de volle verantwoordelijkheid voor genomen heeft. Toch blijft hij zitten met een schuldgevoel en het is dit boek waarmee hij die schuld probeert in te lossen. Laten we hopen dat het Russo is gelukt met het schrijven van deze herinnering zichzelf van zijn last te bevrijden en de weg vrij is naar weer nieuwe aan zijn rijke verbeelding te ontspruiten stadjes als Gloversville.

Rien Broere

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Feest van het begin

Joke van Leeuwen, Feest van het begin
Uitgeverij Querido, Amsterdam, 2012
247 pagina’s
ISBN 978 90 214 4201 3
€ 18,95

In oktober 1789 marcheren duizenden Parijse vrouwen door de stromende regen naar Versailles waar de koning en zijn vrouw rouwen ‘om hun aan tering gestorven kleine troonopvolger, uitgemergeld begraven voor een bedrag dat tienduizenden brood waard is’. Ze dwingen het gezin hen te volgen naar de hoofdstad  met achter de koets ‘wagens vol zakken meel die in de opslagplaatsen zijn gevonden’. Missie geslaagd, tijd voor Het feest van het begin, de met de AKO literatuurprijs bekroonde roman van Joke van Leeuwen.

Tegen de achtergrond van de bewogen Parijse revolutie leert de wees Catho lezen en schrijven van een jonge non die van de ene op de andere dag uit het hospice verdwijnt. Ook Catho vertrekt, scharrelt haar kostje op straat bij elkaar, vindt onderdak bij een kunstenaar die haar met ontblote borst schildert. Hij heeft geen succes met zijn afbeelding van de nieuwe vrijheid. Catho verlaat hals over kop zijn huis als hij stikt in een graat van een vis die zij voor hem klaargemaakt heeft. 

In de tussentijd wordt Berthe, de lieve non die Catho leerde lezen en schrijven, geconfronteerd met de gevolgen van de revolutie. Ze is van goede komaf. Haar ouders zijn vertrokken naar het buitenland zonder een adres na te laten ‘want ze dachten dat het veiliger was om niet te vertellen waar ze naartoe zijn’. In het grote huis woont Léon met zijn gezin op de eerste etage. Hij is aanvankelijk de onderdanige huisknecht uit vroeger tijden, maar hij verpersoonlijkt de emancipatie van het volk. Geleidelijk aan neemt hij het hele huis in beslag. Zijn groeiende zelfvertrouwen gaat gepaard met een toenemende lompheid. Uiteindelijk wordt Berthe de toegang tot haar huis helemaal ontzegd.

Het is met name haar gelatenheid die niet vanzelfsprekend geloofwaardig is. Ze ondergaat haar neergang van de eerbiedwaardige dochter van welgestelde ouders tot verstoten exponent van de bezittende klasse zonder een spoor van verontwaardiging of verzet. Als lezer zou je haar toch graag enig weerwerk zien leveren, maar het zou weleens zo kunnen zijn dat Van Leeuwen op deze manier een jonge, intelligente vrouw als Berthe (B.E.M.N.O. de B., haar volle ‘beladen achternaam’ wordt niet bekend) met ogen van toen getekend heeft als de jonge, zelfbewuste en naïeve vrouw die zich gelukkig prijst dat ze later zal kunnen zeggen erbij te zijn geweest ‘op dat feest waar men hoort te zijn als men zijn eigen tijd liefheeft’.

Er is nog een andere vriendschap die opbloeit tijdens de woelige beginjaren van de Franse revolutie. De jonge pianofortebouwer Tobias en de koninklijke beul Charles-Henri vinden elkaar in de muziek. Iedere week spelen ze een avond samen (klavecimel en viool). Als het pasgeboren kindje van Tobias en zijn vrouw onverwacht sterft, troost Charles hen door vast te stellen dat hun geen blaam treft – geen inwendige bloeding, geweld of verkeerd voedsel – en dat ze dus niets anders kunnen doen ‘dan de raadselen van het opperwezen te aanvaarden’.

Als wederdienst helpt Tobias zijn vriend met de constructie van een nieuw instrument om misdadigers terecht te stellen. Dat gebeurde nog met de bijl, maar de Nationale Vergadering vond dat het tijd werd voor een ‘humanere, modernere, dus machinale methode van decapiteren’.  Ze ontwikkelen samen de guillotine. Deze hoofdstukken fascineren van begin tot eind. Charles legitimeert zijn vak van scherprechter tegenover Tobias, Tobias legitimeert zijn medewerking aan de guillotine tegenover zijn vrouw. Beiden slagen er niet in alle twijfel weg te nemen en de lezer kan er goed mee leven. 

Van Leeuwen heeft vier personages geplaatst in de jaren rondom een omwenteling. Ze speelt met hun afkomst, confronteert rijk met arm en maakt de lezer deelgenoot van hun getob. Goed vakmanschap toont ze als ze met het perspectief ook van stijlregister wisselt zodat Catho  werkelijk denkt en doet als een  volksmeisje dat zich alleen moet zien te redden en Tobias handelt als de bevlogen musicus die stiel, esthetiek  en eer op elkaar af moet zien te stemmen.  Al met al een is dit een roman over de niet opgepoetste ervaringen van (jonge) mensen midden in de jaren van ‘de nieuwe vrijheid’ waarbij de lezer het moet doen met het vermoeden dat het om het Parijs in tijden van revolutie gaat. Universeler kun je het niet maken.

Maarten van Boxtel

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Goat mountain

David Vann, Goat Mountain
Vertaald door Thijs van Nimwegen
Oorspronkelijke titel:  Goat Mountain
Uitgeverij De Bzige Bij, Amsterdam 2013
224 pagina’s
ISBN 978 90 234 8471 4
€ 18,90 (e-book  € 12,99)

Het is 1978. Een elfjarige jongen is met zijn vader, zijn grootvader en een vriend van de familie op hun landgoed Goat Mountain. Het is een stuk grond binnen een veel groter onherbergzaam natuurgebied, waar de mannen jaarlijks heen gaan om te jagen. En omdat de jongen inmiddels elf jaar is, mag hij deze keer zijn eerste hert schieten. Hij is weliswaar nog ‘zo jong dat het illegaal was, maar eindelijk oud genoeg volgens de familiewetten’.

De jongen zou liever in een andere tijd geleefd hebben, de tijd waarin ze te paard en niet met een truck het gebied zouden zijn ingetrokken. Nu hij, terugblikkend  als volwassen man, zijn verhaal vertelt, concludeert hij dat de hele moderne wereld fout is. ‘Je kreeg een tv in plaats van een paard, je werd vreselijk bekocht.’ De jacht van de mannen is dan ook iets waar hij naar uitkijkt, die herfst. En hij is een jongen met gevoel voor familietradities. Goat Mountain is voor hem de plek waar ze hoorden en waar hun geschiedenis werd bewaard.

Het zal allemaal een dramatische wending nemen. Eenmaal op het landgoed aangekomen, ziet de vader in de verte een stroper zitten. Hij geeft zijn geweer aan zijn zoon, zodat die hem met eigen ogen door het vizier kan bekijken. Wat niemand verwacht, in feite de jongen zelf ook niet, gebeurt. ‘(…) Langzaam spande ik mijn vinger om de trekker. Geen gedachten. Dat weet ik zeker. Enkel mijn eigen aard, wie ik ben, het begrip te boven.’

Goat Mountain speelt zich af in een verlaten gebied, waar de mens op zichzelf en zijn meest primitieve wezen is teruggeworpen. De manier waarop Vann de natuur in zijn verhaal beschrijft, maakt die omgeving tot een wezenlijke factor binnen die vertelling. De beklemmende, ruige verlatenheid spiegelt zich in de personages.

Met de dood van de stroper dringt zich voor de mannen een wezenlijke vraag op. Is de jongen zijn daad aan te rekenen? Met andere woorden: waar houdt iemands onschuld op en mag hij verantwoordelijk voor zijn daden worden gehouden? En strekt die verantwoordelijkheid zich uit tot de volwassenen om de jongen heen? Hoe waar is de constatering van de moordenaar als hij terugkijkt op zichzelf als elfjarige en zichzelf een soort monster noemt, iemand zonder persoonlijkheid?

De moord op de stroper zet de verhoudingen tussen de jagers op scherp. De grootvader stelt voor de jongen te vermoorden en te verbranden, de vriend van de familie wil dat ze naar de sheriff gaan om alles uit te leggen. En de vader worstelt met de loyaliteit jegens zijn zoon en komt voorlopig niet verder dan de stroper als een geschoten hert op te hangen in afwachting van een definitief besluit.

Even kaal en ontdaan van alle versierende schoonheid komen de karakters van de mannen bloot te liggen. De saamhorigheid die zich tijdens deze jacht traditiegetrouw manifesteert, blijkt een buitenkant. Het is een kwestie van ieder voor zich, in een omgeving die helse proporties aanneemt. Vann heeft dat gegeven op een fenomenale manier weten weer te geven. Zijn stijl is net zo recht-door-zee en zonder opsmuk als de natuur in Goat Mountain, en het verhaal wordt daarmee een verlengstuk van de door Vann zelf verbeelde wereld, even beklemmend, onheilspellend en gruwelijk.

Rien Broere

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Liefde- 2

Karl Ove Knausgård, Liefde (Mijn strijd 2)
Vertaald door Marianne Molenaar
Oorspronkelijke titel:  Min Kamp. Andre bok
Uitgeverij De Geus, Breda 2012
602 pagina’s
ISBN 978 90 445 2204 4
€ 25,- (e-book € 19,99)

In het eerste deel van zijn romancyclus Mijn strijd beschreef de Noorse auteur Knausgård wat er met hem gebeurde toen zijn vader was gestorven. In dit tweede deel verhaalt hij over zijn verhuizing naar Stockholm, zijn liefde voor Linda en de veranderingen in zijn leven na de geboorte van zijn drie kinderen.

Hij is getrouwd met Tonje, als hij voor enkele maanden naar Stockholm vertrekt om afstand te nemen van zijn oude leven en na te denken over zijn toekomst. Het was Knausgårds bedoeling dat zijn leven in Zweden weer de moeite waard werd. Hij wilde weer vrolijk zijn. Hij was op het punt beland dat zijn leven hem koud liet. Alles liet hem koud, of het nu ging om kunst die hem blij zou moeten maken of om zijn vrienden.

Met niet meer dan een koffer in de hand en zijn ziel onder zijn arm arriveert hij in Stockholm, waar zijn vriend Geir hem opvangt. In de tijd die nodig is woonruimte voor zichzelf te vinden, mag Knausgård een tijdje bij Geir en zijn vrouw intrekken. Ondertussen heeft hij alle gelegenheid zichzelf onder de loep te nemen en constateert hij dat hij in het gezelschap van anderen zich aan hen gebonden voelde en aan andermans gedachten en gevoelens meer gewicht toekent dan aan die van hemzelf. Zodra hij alleen is, echter, betekenen anderen niets meer voor hem. Het is die tweeslachtigheid die hem ook in zijn gezinsleven parten zal spelen.

Aanvankelijk hoeft zijn toekomst niet per se zonder Tonje te beginnen, maar eenmaal in de Zweedse hoofdstad loopt hij Linda, een jonge vrouw waar hij in Noorwegen al eens kennis mee had gemaakt, tegen het lijf. Zijn gevoelens voor haar zijn onmiskenbaar, al probeert hij ze eerst nog een tijdje te negeren. De liefde laat zich echter niet dwingen en met Linda is het alsof hij ‘werd teruggeslingerd in de tijd (…) dat de intensiteit zo sterk was dat het leven soms onleefbaar aanvoelde’. Probeer dan maar eens de zielenrust te vinden waar je naar snakt. Het onvermijdelijke gebeurt. Hij scheidt van Tonje en trouwt met Linda.

Ze krijgen twee dochters, Vanja en Heidi, en een zoon, John, en omdat Linda haar studie heeft neemt Knausgård de verzorging op zich. Dat betekent een dagelijks ritueel van bezigheden dat hem van het schrijven afhoudt. Hoe groot de liefde voor zijn kinderen ook is, het is onvermijdelijk dat hij moet constateren dat zij hem het allerbelangrijkste in zijn leven dreigen te ontnemen. Zijn schrijven vraagt om afzondering, concentratie en volledige toewijding, maar kom daar maar eens om met drie kleine kinderen om je heen.

Ook nu is Knausgård weer nietsontziend en gaat hij in zijn eerlijkheid zijn eigen donkere kant niet uit de weg. De indrukwekkendste scene in Liefde is misschien weldie waarin zijn vriend Geir hem genadeloos analyseert en hem op geen enkel terrein spaart. Het werkelijke leven is geen roman waarin de cirkel zich sluit, dus gaat Knausgård verder met zijn getob, zijn zoeken naar evenwicht in zijn bestaan, zijn worsteling met de liefde – of het nu die is voor zijn vrouw, zijn kinderen of de literatuur. Dat laatste levert ons in elk geval een zeldzaam document op van uitzonderlijke literaire waarde.

Rien Broere

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Hotel du Nord

Remco Campert, Hôtel du Nord  
Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2013
135 pagina’s
ISBN 978-90-234-84102-3
€ 17,90

In Hôtel du Nord in het Noord-Franse kustplaatsje Duneville zocht Walter Manning de eenzaamheid. Hij kwam rechtstreeks uit Berlijn waar hij gelauwerd werd als scenarioschrijver van de film De verzoening. Met een eenvoudig briefje  - ‘Ik ben weg’ – nam hij afscheid van steractrice en vriendin Nora Dorée en regisseur (en vriend) Mike Groenewey.  Ze hadden dit niet zien aankomen. Bij het doen en laten van deze drie personages spint Remco Campert in zijn novelle Hôtel du Nord zijn melancholieke garen.

Manning is net zestig jaar geworden, maar belangrijker vond hij de bevrijding van 762 dagen van geheelonthouding. Ooit liep hij een kwetsuur op nadat een schrijver over hem zei dat zijn poëzie niets voorstelde. Sindsdien schreef hij geen gedichten meer, maar ‘schrijven was waarschijnlijk het laatste automatisme dat hem los zou laten’. Hij had geen talent voor meesterwerken waarvoor het uithoudingsvermogen en heilig geloof ontbrak. Grote woorden als liefde en eenzaamheid hadden voor hem weinig betekenis. Zijn gebrek aan zelfvertrouwen speelde hem parten, maar hoe graag zou hij niet ‘uit het clair-obscur van de onzekerheid onbeschroomd het éclair van de zekerheid’ ingaan.  

Zijn hele leven was een vergeefse poging geweest te vluchten: van zichzelf, zijn schrijftalent, zijn pleegouders, de dood van zijn ouders. Ook in Hôtel du Nord lukte het hem niet te ontsnappen, deze keer echter met een bemoedigend resultaat, waarbij vooral zijn dromen hem wakker schudden. Op zijn laatste avond in het hotel droomde hij van zijn ouders die hij nooit gekend heeft. ‘Het was alsof ze me trachtten te bereiken. Er was een en al warmte om me heen. Of misschien trachtte ik hen te bereiken.’

De relatie met de veel jongere Nora Dorée was allang een aflopende zaak: ‘ze leefden ieder in hun eigen tijd en zouden elkaar nooit bereiken’.  Ook zij tobde met haar ouders die gescheiden zijn en voor wie ze een soort plichtmatige liefde opbracht. Vlak voor een belangrijke première van een moeilijk toneelstuk werd haar vader na een zware hartaanval opgenomen in het ziekenhuis. Haar moeder kwam ervoor over uit Antwerpen, waar ze samenwoonde met een kunstschilder. Ze vertrouwde haar dochter toe dat ze haar ex-man in ieder geval dankbaar was dat hij haar ‘zo´n mooie talentvole dochter heeft geschonken’.  Voor Nora werkte dit compliment averechts, alsof ze ergens  tekortschoot, zoals ze ook tegenover haar vader voortdurend ‘het schuldige gevoel had  tekort te schieten’.  De ironie wil dat ze als toneel- en filmactrice zichzelf wel kon laten zien.  

Campert geeft het toeval de ruimte. Toeval moet je namelijk ‘herkennen als het op je weg kwam’, laat hij een van zijn personages denken. Het lijkt erop dat dit bij Manning het geval was, toen hij – bij toeval – in de Brasserie de la Presse in Duneville Xavier Audran ontmoette, een karikatuur van de lokale journalist met de snor van Brassens en stevige drankwallen, een vlinderdas met gele stippen, vergroeid met Duneville, mede-eigenaar van het bioscoopje waar ook porno vertoond werd.  Manning ging in op zijn uitnodiging voor een interview voor de wekelijkse rubriek ‘Ontmoetingen’ in de Clairon du Nord. Dat was bijna verzoeken om opsporing. Door toeval werd zijn verblijf bekend bij Henri Donk, Nederlands journalist van onder meer het roddelblad Shame&Fame, waarna het pakken van de koffers door Manning dichtbij kwam.    

Fraai zijn de korte ontmoetingen tussen Manning en hotelhoudster Germaine Lecouvreur. Haar ouders kochten het hotel na de oorlog. Ze hadden elkaar ontmoet tijdens de opnames van de film Hôtel du Nord, waarin haar vader een klein rolletje als vluchtelingetje uit Barcelona had, ‘wees geworden in de Spaanse burgeroorlog’. Op een van de vele gesigneerde foto’s van acteurs en actrices huppelde haar moeder als klein meisje langs het hotel. In de begin van hun hoteltijd  kwamen er veel acteurs uit Parijs, allemaal bekenden van haar ouders. ‘Maar op den duur gingen die toch liever naar de Côte d’Azur.’  
In zo’n gesprek – en op deze manier – heeft  Campert niet veel woorden nodig om het gedoe van zijn personages naar het leven te tekenen. Er schuurt altijd wel iets tussen hen en de anderen. Hier is het vooral het ‘diep verlangen om verloren te raken’ van Walter Manning dat doel treft. Hij heeft het  allemaal mooi klein en fijn opgeschreven. Dit is Campert ten voeten uit. Leest hem voorzichtig en graag twee keer.

Maarten van Boxtel 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Buskruit en kaneel

Eli Brown, Buskruit en kaneel
Vertaald door Dirk-Jan Arensman
Oorspronkelijke titel:  Cinnamon and Gunpowder
Uitgeverij Signatuur, Utrecht 2013
256 pagina’s
ISBN 978 90 5672 434 4
€ 18,95 (e-book  € 14,99)

‘Drie gangen,’ kondigt scheepskok Owen Wedgwood aan. ‘Haringpaté met rozemarijn op walnotenbrood. In thee gerookte palingravioli dichtgeschroeid met gekaramelliseerde knoflook en laurierblad. En als touche finale in rum gepocheerde vijgen gevuld met Geplunderde Blauwe en besprenkeld met honing.’ Het moge duidelijk zijn, deze man is een ware kunstenaar als het om het bereiden van gerechten gaat, zeker als je bedenkt dat hij het moet doen met de minimale middelen die hij aan boord van een piratenschip weet op te duikelen.

Hij doet het dan ook niet vrijwillig, deze  Wedgwood. Zijn leven hangt ervan af. Zijn eigenlijke baas, lord Ramsey, is door Mabbot, de vrouwelijke kapitein op het piratenschip de Flying Rose, om het leven gebracht. Ramsey heeft met alles wat hij aan overzeese, financieel verrijkende handel heeft meegebracht ook vijanden vergaard. Mabbot, onder anderen.  Ze heeft zijn kok Wedgwood op haar schip gevangen gezet en hem te verstaan gegeven dat hij blijft leven zolang hij haar elke zondag met een bijzondere maaltijd weet te verrassen. Deze zondagse maaltijden vormen de stippellijn waarlangs het verhaal zich afspeelt. Ondertussen leren we de kok en Mabbot en haar bemanning stukje bij beetje beter kennen en krijgen we inzicht in de motieven van haar rooftochten op zee.

Een heus piratenboek voor volwassenen, je komt het niet vaak tegen, maar Eli Brown heeft met zijn tweede boek een serieuze proeve van zijn schrijversbekwaamheid afgelegd. Natuurlijk zijn het karakteristieke types, die zeerovers. De bemanning is een allegaartje van boeven, niksnutten en rare snuiters, maar voor hun kapitein gaan ze door het vuur. Kapitein Mabbot is meedogenloos, maar met haar hart op de goede plek. En de kok, die aanvankelijk niets liever wil dan vluchten, gaat geleidelijk aan begrip tonen voor zijn vrouwelijke cipier. En meer dan begrip.

Er lopen verschillende verhaallijnen door elkaar en dat houdt het verhaal levendig. Natuurlijk is er Wedgwoods tovenarij als het op culinaire bekwaamheden aankomt, maar er moet een missie worden volbracht. Die missie leidt ertoe dat de Flying Rose de steven richting een tweede schip heeft gewend, terwijl het zelf door nummer drie wordt achternagezeten. De opvarenden hebben stormen het hoofd te bieden en ook voor een complete zeeslag deinst de auteur niet terug. Het resultaat is een ouderwetse – in de allerbeste betekenis van het woord – in een sprankelende stijl geschreven avonturenroman vol vaart en humor.

Rien Broere

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Beschuldigd

Helene Uri, Beschuldigd
Vertaald door Marin Mars
Oorspronkelijke titel:  Den rettferdige
Uitgeverij De Geus, Breda 2013
347 pagina’s
ISBN 978 90 445 1735 4
€ 19,95 (e-book € 15,99)

Beschuldigd is de Nederlandse titel die de uitgever aan Uri’s roman heeft meegegeven. Daar had men net zo goed Beschadigd voor kunnen kiezen, want in feite blijft niemand in het intrigerende verhaal ongeschonden. Het huwelijk van Karsten en Marianne bevindt zich sowieso al op een breekpunt, maar de beschuldiging van incest maakt het voor alle betrokkenen – Karsten, Marianne, hun twee dochters, maar ook de officier van justitie die de zaak aanhangig maakt - alleen maar erger.

Het is dus een verhaal met alleen maar verliezers – iets wat nog confronterender wordt als het gaat om het antwoord op de vraag naar de waarheid. Want wat is in dit geval de waarheid? Marianne en haar dochters raken in ieder geval zo overtuigd van hun versie van de gebeurtenissen dat  er voor twijfel geen enkele ruimte lijkt. Een standpunt dat wordt gedeeld door Edvard Frisbakke. Hij heeft een carrière als rechter opgegeven om als officier van justitie jacht te maken op mannen die kinderen hebben misbruikt. Dat doet hij met zoveel toewijding dat hij er in Noorwegen bekend door is geworden. Maar ook aan hem kleeft een smet op dit gebied, al heeft hij daaraan de motivatie voor zijn jacht ontleend.

En dan is er natuurlijk Karsten zelf. Goed, zijn liefde voor zijn dochters is allesomvattend en hij geniet in alle opzichten van hun aanwezigheid. Maar heeft hij hen werkelijk fysiek iets aangedaan? Kan het zijn dat hij zijn slechte daden heeft verdrongen? Is hij zo onschuldig als hij denkt te weten dat hij is, als zijn kinderen belastende verklaringen afleggen en medici constateren dat de kinderen seksueel moeten zijn belaagd?

Het knappe van Beschuldigd is dat je als lezer inzicht krijgt in de gedachten, gevoelens en overtuigingen van beide kampen. Je kunt je de machteloze woede voorstellen van een moeder die ervan overtuigd is dat haar man haar dochters heeft misbruikt. Hoe verschrikkelijk is de gedachte al die tijd met zo’n monster te hebben samengeleefd.

Maar evengoed laat Uri ruimte voor de andere kant van het verhaal. Stel dat de man het niet heeft gedaan. Hoe kom je ooit van het stigma af dat je incestpleger bent? Sterker nog, hoe kun je je tegen een dergelijke beschuldiging verdedigen? Veel meer mogelijkheden dan ontkennen, heb je niet. Het zijn, kortom,  twee fundamentele angsten die Helene Uri aansnijdt.

Ook officier van justitie Frisbakke geeft ze voldoende achtergrond om hem in zijn jacht op daders geloofwaardig te maken. ‘Als de rechtvaardigheid ten onder gaat, heeft het geen zin meer dat er mensen op aarde leven’, is een uitspraak van Kant die hij graag aanhaalt. Wat hij als kind heeft gezien en verzwegen, wil hij als bejaarde volwassene goedmaken.

Het verhaal krijgt een wending in het vierde en laatste deel. Karsten heeft zijn straf erop zitten en woont samen met Barbara, een vrouw die van hem houdt en hem als enige is blijven steunen. De dochters zijn volwassen, Marianne is haar man altijd blijven haten. Gelukkig kiest de schrijfster niet voor een zakelijke afwikkeling van de geschiedenis, maar blijft zij dolen in de zielen van haar protagonisten. Soms zijn de gevolgen van een twijfelachtige waarheid te groot en hebben ze te veel impact om eenvoudig door nieuwe feiten aan de kant te worden geschoven. Helene Uri laat dat allemaal op bewonderenswaardige wijze zien, in een verhaal dat door de ritmische stijl, nauwelijks door dialogen onderbroken, de lezer op de huid gaat zitten en aan het denken zet.

Rien Broere

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Het puttertje

Donna Tartt, Het puttertje
Vertaald door Sjaak de Jong, Paul van der Lecq en Arjaan van Nimwegen
Oorspronkelijke titel:  The Goldfinch
Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2013
928 pagina’s
ISBN 978 90 234 8513 1
€ 24,90 (e-book  € 16,99)

Elf jaar nam Donna Tartt de tijd om aan haar nieuwste roman (haar derde in ruim twintig jaar) te werken. Op de vraag waarom van die dikke boeken, zei Mulisch ooit dat je, als je elke dag één bladzijde schrijft, na een jaar al gauw een boek van meer dan driehonderd pagina’s hebt. Het is goed dat Tartt die productie niet haalt. Met de kleine duizend pagina’s die ze voor haar verhaal in Het puttertje gebruikt, doet ze al een serieus beroep op het uithoudingsvermogen van de lezer. Het bezwaar van de omvang wordt echter ruimschoots gecompenseerd door de prachtige stijl waarin de roman is geschreven. De tijd die Tartt ervoor nam, heeft ze gebruikt om elke zin te polijsten tot een fraai staaltje proza.

In een korte intro maken we kennis met Theo Decker. Hij is op dat moment in Amsterdam en bevindt zich, zoals hij het zelf noemt, in een hachelijke situatie. De kranten schrijven over een onopgeloste moord. Vervolgens vertelt hij uitgebreid en op zijn gemak wat hem in die situatie heeft gebracht. Daarvoor keert hij terug naar de dag veertien jaar eerder  dat hij met zijn moeder op weg ging naar zijn school voor een onderhoud over Theo’s gedrag dat geleid heeft tot een schorsing. Ze zijn te vroeg en ze besluiten eerst het Metropolitan Museum nog even te bezoeken waar op dat moment een tentoonstelling van meesterwerken uit de gouden eeuw aan de gang is.

Het leven is een aaneenschakeling van toevalligheden, maar die ochtend leiden die tot twee cruciale gebeurtenissen in Theo’s leven. Wachtend op zijn moeder die in een van de zalen nog een laatste blik op Rembrandts De anatomische les wil werpen, raakt hij in de ban van een meisje dat er met een oudere heer Het puttertje  van Carel Fabritius staat te bewonderen. De moeder heeft Theo dan al vertelt dat de schilder kort na het voltooien van het doek is omgekomen toen er in Delft een kruitfabriek ontplofte.

Voor Theo de kans krijgt het meisje aan te spreken, ontploft er een bom die dood en verderf zaait. Vlak daarvoor heeft zijn moeder nog opgemerkt; ‘Natuurlijk, mensen gaan dood. Maar het is zo schrijnend en onnodig dat we díngen kwijtraken.’ Theo’s moeder is een van de omgekomen mensen. In de chaos en paniek die volgt, en die Tartt op weergaloze wijze beschrijft, neemt Theo het schilderij Het puttertje uit het museum mee.

Het leven van de jongen staat volledig op zijn kop. Zijn vader heeft het gezin al lange tijd geleden verlaten, zijn grootouders hebben zich nooit veel aan hem gelegen laten liggen en plaatsing in een tehuis dreigt. Gelukkig nemen de welgestelde ouders van een vriend hem in hun huis op. Hij wordt door iedereen ontzien en krijgt de tijd om zijn verdriet te verwerken en zich weer in een normaal dagelijks patroon te voegen. Aan deze periode komt echter ook abrupt een einde als zijn vader en diens vriendin opduiken en hem meenemen naar Las Vegas.

Het is opnieuw een compleet nieuwe wereld waarin Theo zijn intrede doet. Van het rijke milieu van zijn vriend komt hij terecht in de vulgaire wereld van de gokstad. Hij bevindt zich in letterlijke zin aan de rand ervan, in een wijk waar villa’s waren gepland maar nooit allemaal gebouwd. In die troosteloze leegte maakt hij kennis met Boris, een jongen van Oekraïense afkomst die hem wegwijs maakt in de schimmige wereld van drank, drugs en diefstal.
In deze turbulente omgeving is er altijd nog het schilderij, in zekere zin als een soort rustpunt dat hij steeds weer opnieuw bekijkt en dat hem voor even uit zijn rusteloze omgeving weghaalt.

Na deze Vegasperiode maakt Theo’s verhaal een sprong in de tijd. Hij is begin twintig, terug in New York en woont in bij een restaurateur van antiek meubels die hem het vak leert en waar hij de antiekwinkel bestiert. Dat doet hij echter niet op geheel bonafide wijze, en hoewel hij er aanvankelijk moeiteloos mee lijkt weg te komen, kunnen de problemen niet uitblijven.

Op dit punt wordt in feite het slot van de roman ingezet. Het puttertje, zijn Vegasvriend Boris en de problemen als gevolg van zijn gesjoemel met het antiek bundelen zich samen tot een levensgroot probleem dat hem uiteindelijk in Amsterdam brengt, waar zich een catastrofale afloop lijkt te ontwikkelen. Het vormt niet het sterkste deel van het boek. De gebeurtenissen die volgen zijn teveel van het goede en ook té down to earth om in sprankelende zinnen te worden geschetst.

Theo sluit zijn verhaal af met de overpeinzing dat er een middengebied is tussen twee tegenstellingen, ‘een plek waar de regenboog ontspringt en schoonheid ontstaat’ een gebied ‘waar twee oppervlakken zich vermengen en datgene voortbrengen wat het leven niet voortbrengt, en dat is de plek waar de kunst bestaat, waar magie bestaat.’ Het is precies dat gebied waar Tartt haar lezers met haar indrukwekkende roman naar binnen weet te voeren.

Rien Broere

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Voor jou

K. Schippers, Voor jou 
Em. Querido’s uitgeverij, Amsterdam BV, 2013
Amsterdam - Antwerpen
213 pagina’s
ISBN 978 90 214 4744 5
€ 19,95

De bundel Voor jou van K. Schippers werd een In memoriam in 34 verhalen voor Henk Bernlef en G. Brands, vrienden van de schrijver. Hij verbleef in Brussel  toen zij kort na elkaar stierven. Hij had het merendeel van de verhalen klaar, maar er ontbrak nog iets aan, ‘iets wat een ander ritme geeft … tussen de stukken in.’ Met zijn vrienden had hij alles ontdekt, ‘de film, de jazz, dada en Schwitters, in de zijvleugel van het Stedelijk . Met niemand heb ik zoveel gelachen.’ Hij liet ze nog even niet gaan, haalde ze terug in uitspraken, foto’s, herinneringen en maakte er met hun welnemen een melancholieke, warme reünie (in Brussel) van.

Hun vriendschap, die op de middelbare school in Amsterdam begon, legde de basis voor een nieuwe literaire lichtheid die in het tijdschrift Barbarber haar beslag zou krijgen in de vorm van snippers nieuwsgierigheid. De verwondering was hun uitgangspunt. Als uiterlijk vertoon van dwarsheid werd het blad in de lengte gevouwen. Hiervan zei Schippers ooit: ‘Als hij dit niet zo had gevouwen, waren we misschien niet eens doorgegaan met het blad’(1978). Voor Bernlef leek het alsof hij ‘door een omgedraaide verrekijker naar de momenten’ keek dat ze ‘met z’n 3-en bij elkaar zaten en Barbarber in elkaar zetten’, zoals hij onlangs nog schreef aan Schippers (en opgenomen in Voor jou).

Bij Barbarber ging het om spelen met toeval, observeren van alledaagse gebeurtenissen, lichtvoetige humor. Het tijdschrift bood plaats aan de gewoonste uitdrukkingen (‘wat niet is kan komen’, ‘ze doen maar’), kant- en-klare teksten (ready mades) die al of niet in de vorm van gedichten geplaatst werden.

Een mooi voorbeeld hiervan geeft Schippers in Voor jou (In het Hallen Theater) als hij delen citeert uit de schoolschriften waarin de operateur van de vroegere Amsterdamse bioscoop de Hallen tussen 1936 en 1945 de programmering bijhoudt. Hij beschrijft nauwkeurig de conditie van de filmkopieën: ze zijn ‘verregend’, er lopen ‘wrijvingskabels over band en langs perforatie’enz. Schippers haalt er een aantal letterlijk aan. In de herhaling schuilt de fascinatie, in de kleine variaties de kracht: tussen  augustus 1939 – 19 juli 1940 nemen drie collega’s het over; de operateur van dienst ‘werd in september 1939 gemobiliseerd, heeft geoefend en gevochten’. Een ander ‘detail’ is dat in januari 1942 De eeuwige jood vertoond wordt, een documentaire waarin de joden met ratten worden vergeleken.

Over de inhoud van de films zegt de operateur niets. Dat is niet zijn taak. Uiteindelijk – en dit zou dus zo in Barbarber geplaatst kunnen worden – geeft hij het rapport van de operateur de vorm van een gedicht, want ‘hij heeft er lang genoeg aan gewerkt’ : ‘Wrijving langs beide kanten, / verregend, eindes zeer sterk. / Ingetikt, ingescheurd, af en / toe ingeknipt, film zeer / droog en ingekort.’ 

Toen Bernlef hem in een laatste mail van 29 oktober 2012, 19:26 uur, vroeg naar de naam en het adres van een jazzwinkel aan wie hij zijn platen- en cd-collectie jazz aan wilde bieden, vroeg Schippers zich af hoe dat kon. Hij was immers al meer dan acht uur dood. Had de computer zich vergist? Hij wist zeker dat Bernlef ervan genoten zou hebben, van deze ‘precisie die onderuit wordt gehaald.’  Maar in zijn tijdelijke Brusselse onderkomen geeft hij Brands en Bernlef verderop in de bundel ruimschoots de gelegenheid om met zijn digitale onwetendheid te spotten.
Op de voorkaft staat het schilderij ‘Jeune fille à la fenêtre’ uit 1955 van de Poolse schilder Balthus. Schippers gaat op zoek naar de vrouw die model gestaan heeft voor het meisje. Ze was toen nog net niet volwassen, want daar was de schilder sterk in, in de weergave van ‘de laatste ogenblikken van haar jeugd’.  Zij woont nog in het Château de Chassy het kasteel in de Morvan waar Balthus haar geschilderd heeft. Als Schippers in de buurt van het kasteel komt, vraagt hij een oudere vrouw of ze Frédérique Tison kent, van Balthus. ‘Dat ben ik,’ ze zegt het een beetje ongelovig, alsof ze ook iemand anders had kunnen zijn.’ (Het model)

Bij Schippers vallen dingen samen, al of niet toevallig. Vaak is het een kwestie van goed kijken en het dan opschrijven, in tastende zinnen die je als lezer dan ook weer voorzichtig moet (wilt) proeven. In Het model, dat gaat over de gesprekken die de Italiaanse architect Aldo Buzzi in de jaren ’70 voerde met de Roemeense kunstenaar Saul Steinberg, schrijft Schippers dat het niet om ‘wollige spreektaal’ gaat: ‘De zinnen zijn nauwkeurig en op onverwachte momenten komt hij met een beeldend detail.’  Schippers voegt zelf de daad bij het woord als hij vindt dat Balthus’ slaapkamer ‘er aangenaam slordig’ uitziet: ‘Een edelman als Balthus weet dat je een kamer nooit helemaal in balans mag brengen, anders krijg je het onbeweeglijke’.  Of hij typeert de Brusselse Bennoît van Innis als ‘de tekenaar die zelfs een tafelpoot en een lamp dompelt in de aristocratie.’

Hij vindt het werk van kunstenaar Geer van Velde ‘licht en bekoorlijk. Voor hem niet de ernst van de schilder die het wereldraadsel heeft opgelost.’ Met Van Velde ‘krijg je even vakantie van al je vraagstukken. Het komt vast door het licht.’ Het zijn evenzovele typeringen die ook gelden voor deze bundel zelf, zoals moge blijken uit de openingszinnen van  Het productiemeisje: ‘Het lijkt wel of de tijd zich schikt naar Yasmina Haddad. Omdat het haar uitkomt is het half vier en geen seconde later.’

De observaties van Schippers lijken me in eerste instantie bestemd voor de lezers Bernlef en Brands. Dat geldt ook voor zijn stijl die de draaglijke lichtheid van hun bestaan en werk reflecteert. Schippers zal het commentaar van zijn vrienden op deze bundel  node missen.  Ik ben dan maar zo vrij: kunst doet goed, deze kunst maakt gelukkig.

Maarten van Boxtel

 --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Oorlog en terpentijn

Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn
Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2013
334 pagina’s
ISBN 978-90-234-7671-9
€ 19,90

In Oorlog en terpentijn staat Urbain Martien centraal, de opa van de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans, de man die hij allang had willen eren met een biografie, maar het kwam er aldoor niet van. Schuldgevoel bleef knagen, ambitie daagde hem uit en 2014 kwam dichtbij, het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog waarschijnlijk overal in België herdacht zou gaan worden omdat ieder dorp en alle families een flink deel van de oorlogsellende te dragen gekregen hebben.
 
Als 12-jarige jongen kreeg Hertmans van zijn opa een gouden zakhorloge, dat hij terstond liet vallen, waarna  het op de tegels uit elkaar spatte.  Hij zag ‘de uitdrukking op zijn gezicht, de ontsteltenis en het binnensmondse vloeken, het hoofdschudden, het sluiten van zijn ogen en de ingehouden woede waarmee hij de uit elkaar gevallen onderdelen bij elkaar raapte, ze in de zak van zijn kieltje stopte en de tuin instapte om voor enkele uren te verdwijnen’. Het horloge stond voor de armoede waaronder de  familie gebukt ging en de beproevingen in de loopgraven tijdens de eerste wereldoorlog. En het werd het vliegwiel van deze prachtige roman.

Vlak voor de dood van zijn opa in 1981 kreeg Hertmans twee dichtbeschreven cahiers van 600 pagina’s. Er was sinds 1963 aan  gewerkt. Hiermee had de schrijver goud in handen. Tegelijkertijd mocht hij er van zichzelf nauwelijks aan tornen, want hoe dicht zou hij anders nog bij de herinneringen van zijn grootvader blijven? In een jaar tijd tikte hij alles over, las over de jonge jaren in het Gent van voor 1900, over de bijzondere ontmoeting tussen Franciscus  Martien en Céline Andries, de ouders van Urbain (zijn opa dus). Zijn moeder was de dochter van een welgestelde groente- en aardappelhandelaar, zijn vader was een getalenteerde schilder die zijn kostje bij elkaar scharrelde met het herstellen van muurschilderingen in kerken. Hun huwelijk kreeg niet de goedkeuring van haar ouders. Zij koos voor hem en dus voor de armoede, ze kregen vijf kinderen.

Urbain was vaak bij zijn vader in de kerken te vinden. Hertmans maakte er intieme verhalen van over een in zichzelf gekeerde, bescheiden vader-kunstenaar en zijn bewonderende zoon. Van zijn vader erft Urbain ook het tekentalent. Hij volgt tekenlessen op de avondschool Sint-Lucas en leert er ‘eindeloos schreefjes trekken, altijd maar schreefjes trekken.’ Hij stopte, herbegon later, schetste avonden lang allerlei vormen, zijn handen, zichzelf. Zijn vader was ontroerd toen zijn vrouw hem de schetsen van hun zoon laat zien, vlak voor zijn dood en na zijn maandenlange verblijf in Liverpool om er muurschilderingen in een kerk te herstellen. 

Hertmans’ grootvader was geen goede leerling. Hij werkte bij een smid, waar hij zag hoe de dronken zoon van de smid crepeerde na een val in de oven. Hij werkte bij een ijzergieterij, ging in dienst. Hertmans schetst de plekken in Gent waar zijn opa vaak geweest moet zijn, plekken zoals het oude ijspaleis Veneziana, dat in 2006 zielloos gemoderniseerd werd. Of hij ging op zoek naar het huis van de ‘voortverkooper van kleeding’ waar hij als leerjongen bij de Brusselse kleermaker aanbelde. Hij beschrijft de provocerende Gentse socialisten die zich keerden tegen de katholieken. Aan hen zou zijn opa een levenslange hekel hebben. Hij blaast het oude leven in Gent.  In dit eerste deel zie je Hertmans ‘puzzelen met flarden details’ van zijn opa’s verhalen over schilderkunst en muziek. Hij blijft op enige afstand, kiest hier voor de de 3e persoon.

Dat verandert in het tweede deel op slag wanneer hij zijn opa in de ik-vorm rechtstreeks zijn persoonlijke oorlogskroniek laat schrijven. Het is authentiek, huiveringwekkend en spannend. Zijn grootvader werd op 1 augustus 1914 – ‘de dag van de opeising’ – opgehaald, waarna hij vrijwel direct terechtkwam in de bloederige, mensonterende strijd tegen de Duitsers op de  IJzervlakte, waar soldaten massaal afgeslacht werden in de stinkende en koude loopgraven, waar niemand kop en staart in de strijd kon ontdekken, de Franstalige officiers zich superieur gedroegen.
Wat was dit een zieke oorlog, wat een zinloosheid, wat een laf (vuil) gebruik van mosterdgas, wat een onthutsende opoffering van jonge jongens, hoe gruwelijk waren hun verminkingen, klonk hun krijsen en heerste de paniek.

Urbain was een overlever, een kat met negen levens. Hij ging tot driemaal toe naar Engeland om te herstellen van zware verwondingen. Hij doorstond een stormachtige overtocht en vond er de muurschilderingen van zijn vader in Liverpool.  Geen enkel detail is hij 45 jaar na dato vergeten. Hoe viel daarmee te leven?  Zijn persoonlijk drama werd nog groter toen hij direct na de oorlog de liefde van zijn leven ontmoette en vrijwel direct weer verloor. Tot zijn  45e werkte hij bij de Belgische Spoorwegen, daarna ging hij met pensioen wegens geestelijke invaliditeit.
Deze man kreeg  het standbeeld dat hij verdiende.  Hertmans nam liefdevol de paradox als constante van zijn grootvaders leven onder de loep: ‘heen en weer te worden geslingerd tussen de militair die hij noodgedwongen was geweest en de kunstenaar  die hij had willen zijn. Oorlog en terpentijn.’ Deze auteur loste zijn schuld in met verve. Chapeau!

Maarten van Boxtel

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Vader / 1

Karl Ove Knausgård, Vader (Mijn strijd 1)
Vertaald door Marianne Molenaar
Oorspronkelijke titel:  Min Kamp. Første bok
Uitgeverij De Geus, Breda 2012
445 pagina’s
ISBN 978 90 445 1719 4
€ 17,50- (e-book € 13,99)

Enkele weken geleden besprak ik op deze plek Nacht , het vierde deel van Knausgårds serie Mijn strijd. Dat ik de voorgaande delen nog niet heb besproken is een omissie die gelukkig in de komende weken goed te maken is. De serie begint met Vader het eerste deel waarin Knausgård zijn eigen leven tot literatuur weet te maken. Het is een eerste, indringende kennismaking met de auteur als aartstwijfelaar, zijn dominante vader, zijn nauwelijks zichtbare moeder en zijn oudere broer Ygnve die een rolmodel voor hem is.

Na de scheiding is Knausgårds vader serieus aan de drank geraakt en uiteindelijk weer bij zijn eigen moeder gaan wonen. Het grootste deel van de roman beschrijft de dagen na diens dood, als Knausgård en zijn broer naar het grootouderlijk huis zijn gegaan om de plichtplegingen rond de begrafenis af te handelen. Knausgård is dan bijna dertig en in een kapel van het uitvaartcentrum ziet hij voor de eerste keer een dood lichaam. ‘De trekken waren me vertrouwd, maar de uitdrukking die ze hadden gekregen niet. (…) Ik keek niet langer naar een mens, maar naar iets wat op een mens leek.’ Hoewel hij daar ervaart dat het dode uiterlijk van zijn vader alle gevoelens van intimiteit onmogelijk maakt, zal het overlijden een wirwar aan gevoelens bij hem losmaken die hem in een emotionele achtbaan heen en weer slingert.

Die chaos bestaat niet alleen in Knausgårds hoofd, maar is in alle weerzinwekkendheid gematerialiseerd in de staat waarin het huis verkeert. Het begint al bij de entree, waar een enorme verzameling lege drankflessen de toegang bemoeilijkt. Het pand is volkomen uitgewoond, smerig van aangekoekt vuil, bezaaid met afval en kleren die onder de donkere vlekken van opgedroogd bloed zitten en soms zwart zijn van de uitwerpselen, dotten stof, kapotte meubelen en dat alles in een misselijkmakende geur van pis en verrotting. Het is in die omgeving dat dus ook zijn oma haar dagen sleet en nog slijt.

De broers besluiten eerst de boel zo goed en zo kwaad als mogelijk schoon te maken. De uren die Knausgård met deze klus vult, geven hem alle kans het leven van zijn vader en dat van hemzelf, al dan niet in relatie tot zijn verwekker, te overdenken. Tot zijn eigen verbazing wordt hij daarbij heen en weer geworpen tussen tegenstrijdige gevoelens. Er is de diepgewortelde haat die afsteekt bij het oncontroleerbare verdriet dat regelmatig de kop op steekt en hem in tranen doet uitbarsten.

In de loop van de dagen die Knausgård in zijn oma’s huis aan de slag aan de slag is, wordt de moeizame en afstandelijke verhouding tussen hem en zijn vader pijnlijk duidelijk. Wezenlijke gesprekken blijken zij nooit te hebben gevoerd en de overheersende en beangstigende aanwezigheid van de vader in huis heeft dan ook tot een fundamentele afkeer van zijn vader geleid. Nu er van zijn vader nog slechts een levenloos lichaam rest, wordt Knausgård geconfronteerd met alles wat tussen hen al die tijd verzwegen is.

Het lijkt erop dat Knausgård met al zijn gepoets en geboen de fouten die zijn vader heeft gemaakt, de chaos die hij in zijn leven om zich heen heeft veroorzaakt en het verdriet dat hij zijn naasten heeft gedaan, wil uitvlakken, ongedaan wil maken. Een kansloze missie, uiteraard, maar wel een die hij onderneemt door de feiten onder ogen te zien en (in Vader) te beschrijven. Het is dan ook niet zozeer oordelend als wel constaterend hoe hij over zijn vader denkt en schrijft.

Over zijn eigen schrijverschap op dat moment is Knausgård duidelijk. Hoewel hij enkele succesvolle boeken op zijn naam heeft staan, ontbreekt het hem aan een idee over hoe het verder moet. Wat hij zou willen, is schrijven op een manier die de werkelijkheid recht doet. In de schrijver Adorno ziet hij in dat opzicht een groot voorbeeld omdat hij in diens taal ‘die specifieke methode om de sfeer van de werkelijkheid te benaderen’ herkent. Dat is wat Knausgård wil, zinnen construeren, een taal hanteren die iets levends kan oproepen, net zoals Adorno daarin slaagde, ‘want de taal hulde de werkelijkheid niet in zijn sfeer, het was andersom: de werkelijkheid steeg eruit op.’
Met zijn romancyclus Mijn strijd heeft Knausgård die taal gevonden.

Rien Broere

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De wraak van de honden

Antonio Hill, De wraak van de honden
Vertaald door M. Vanderzee
Oorspronkelijke titel:  Los buenos suicidas
Uitgeverij Signatuur, Utrecht 2013
326 pagina’s
ISBN 978 90 5672 480 1
€ 18,95 (e-book  € 14,99)

Ze waren met z’n achten op teambuildingsweekend, werknemers van een cosmeticabedrijf, toen ze met een gruwelijk tafereel werden geconfronteerd. Aan de takken van een boom hingen drie ‘morsdode, stokstijve honden’. Iemand moet er een foto van hebben genomen, want later ontvangen deelnemers aan dat weekend een e-mail met een afbeelding van het tafereel als bijlage. De begeleidende tekst:  Vergeet het niet.

Inspecteur Héctor Salgado is dan al bezig met een onderzoek naar een eerdere zelfmoord van een werknemer van het cosmeticaconcern. Dat een zelfmoord zaak voor de politie is geworden, komt door het feit dat de man niet alleen zichzelf, maar ook zijn vrouw en dochtertje in het hart heeft geschoten - zij het uiteraard in andere volgorde. De foto en het mailtje duiken op op de smartphone van een jonge vrouw die zich voor de metro heeft geworpen. Het raadsel wordt nog groter, als er later nog een derde slachtoffer valt, ogenschijnlijk ook het resultaat van zelfdoding.

Met inspecteur Héctor Salgado borduurt Antonio Hill voort op de karakters uit zijn debuutroman Dodelijke zomer. Het kan geen kwaad dit boek te lezen alvorens aan De wraak van de honden te beginnen, omdat de personages daarin al hun achtergrond, trekken en eigenaardigheden hebben meegekregen. De inspecteur heeft een scheiding achter de rug. Zijn ex-vrouw Ruth is echter sinds enige maanden spoorloos van de aardbodem verdwenen. Hun veertienjarige zoon Guillermo woont nu bij hem, maar het valt Salgado niet altijd mee contact met de jongen te maken.

Zelf mag hij de verdwijning van Ruth niet onderzoeken. Deze zaak zou als onopgelost in de archieven verdwijnen, als niet een collega van Salgado haar zwangerschapsverlof had benut alsnog de zaak uit te pluizen en die zodoende levend te houden . Er lopen dus twee verhalen door elkaar – gebeurtenissen die alleen in de persoon Héctor Salgado aan elkaar raken.

Het onderzoek naar de achtergrond van de zelfmoorden verloopt moeizaam, omdat de betrokkenen een pact hebben gesloten waarbij zij elkaar hebben beloofd te zwijgen over wat er dat weekend precies is voorgevallen. Dat de lezer toch geleidelijk aan meer zicht krijgt op de gebeurtenissen – van dat weekend en de gevolgen ervan in de maanden erna – komt door de wisselende perspectieven die de auteur gebruikt om zijn verhaal te vertellen. Enkele van die gezichtspunten komen namelijk van werknemers van het bedrijf die er dat weekend bij waren.

Antonio Hill schrijft in een soepele, toegankelijke stijl en door zijn verteltechniek weet hij de spanning goed op te bouwen. De kwestie van de zelfmoorden krijgt een heldere ontknoping. Wat er met Ruth is gebeurd, blijft echter vooralsnog een raadsel. Met een kort slothoofdstuk dat de lezer plotseling naar zes maanden eerder verplaatst en waarin Ruth als personage optreedt, lijkt de schrijver geen ander doel te hebben dan de weg vrij te maken voor een derde deel met Héctor Salgado in de hoofdrol. Dat is iets om naar uit te zien, al mag Antonio Hill zich dan wat mij betreft richten op één mysterie, zonder er losgezongen kwesties aan toe te voegen.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De laatkomer

Dimitri Verhulst, De laatkomer
Uitgeverij Atlas Contact
Amsterdam / Antwerpen
192 pagina’s
ISBN 9789025441463
€ 16,95

Désiré Cordier is een vreemde vogel in Home Winterlicht, een tehuis voor demente bejaarden. Hij is namelijk niet dement maar heeft er met zijn volle verstand voor gekozen het te worden. Het was het best denkbare alternatief voor de laatste jaren die nog moesten komen en een huwelijk dat allang zo dood was als een pier.

Iets bedenken is een, iets uitvoeren is een andere kwestie. Daar is moed, concentratie en doorzettingsvermogen voor nodig. De beste gelegeneheid om met dementeren te beginnen, deed zich voor toen Désiré op een gezinsfeest er door zijn vrouw op uitgestuurd werd een taart te gaan halen. Hij kwam terug met een broodrooster. Vanaf dat moment bouwde hij zijn dementie langzaam uit. Hij zette de vuile was bij het afval, theezakjes verdwenen in de wc-pot en de thermoskan werd gevuld met tomatensoep. Toen hij een trendy winkel met allerlei kleren ‘in psychotische kleuren’ verliet zonder te betalen werd hij stante pede opgenomen. Hij is dan geslaagd in het ‘geloofwaardig neerzetten van een compleet seniele senior’.   

Dimitri Verhulst kan met zijn ‘gezonde’ Désiré Cordier eens goed binnen kijken in een vergaarbak van menselijke ellende. Hij spaart niets en niemand in een tehuis waarin oude, demente mensen ‘hun straf moeten uitzitten’. Met Cordier als infiltrant kan hij de toestanden uit de eerste hand en met een kritische blik beschrijven. Daarbij doopt hij zijn pen per zin in het soort vitriool waar hij het patent op lijkt te hebben. Hij is de geëngageerde cabaretier die met hilarische, rauwe, ontroerende en absurde scènes zijn gram haalt. De grappen en grollen stuiteren over de bladzijden. Schrijnend, bevrijdend en erg leuk.  

Een van de bewoners is Walter de Balt, een collaborateur van ruim 100 jaar oud, ‘een landkaart vol levervlekken’. Hij noemt hem ‘Kampcommandant Alzheimer’, drijft hem in het nauw, maakt hem wijs dat er pers voor de deur staat, dat hij alsnog gepakt wordt voor zijn moorden in de oorlog. De man schreeuwt het uit van angst. De verpleging denkt dat het is omdat hij een stukje brood heeft laten vallen. Of Désiré vertelt over het geheugenkoor, een kennelijk zinvolle therapie die op de een of andere manier altijd uitloopt op het zingen van vunzige liedjes.

Demente bejaarden willen nogal eens ontsnappen. Speciaal hiervoor is er op het terrein van het tehuis een bushalte weggezet, voorzien van bankje en reistijden. Hier strijkt er geregeld een neer om na verloop van vergeefse wachttijd binnen geroepen te worden voor een kop koffie waarna hij dan weer snel vergeten is dat hij wilde vertrekken. Een effectief slimmigheidje dus. Vervreemdend is het moment dat Désiré in het bushokje vergezeld wordt door een medebewoner die hem helder wijst op zijn gebrekkige acteerprestaties.

Onvergetelijk is de laatste ontmoeting met zijn dochter die hem vertelt dat dit de laatste keer is dat ze elkaar zien - want wat heeft het nog voor zin? Heel anders dan hij van haar verwacht had, gaat ze scheiden van haar man. Hij realiseert zich dat zijn dochter doet wat hij zelf veel eerder had moeten doen. Hij reageert zoals je dat van een dementerende, oude man mag verwachten – namelijk niet – maar hoe graag had hij nu als vader even iets anders gezegd.   

Weinig scènes zijn bedoeld voor publiek waardoor de lezer een voyeur wordt, die van alles ziet waar hij geen weet van heeft of hoort te hebben. Soms is er zelfs de neiging in te willen grijpen, bijvoorbeeld als een vrouw met mondkanker rauwe biefstuk voorgezet krijgt. Soms is er het pijnlijke besef van de menselijke vergeefsheid of – om met Verhulst te spreken – de helaasheid der dingen, zoals bij de hoogleraar biologie, gespecialiseerd in de resistentie tegen bepaalde antibiotica, die ‘nu zo tureluur als het Spaanse middaguur’ is: hij houdt een plakboek uit de Miauw bij terwijl zijn vrouw vrijt met de slager.  

Uitendelijk zal het slecht aflopen met Désiré Cordier, de oud-bibliothecaris die alle titels, auteurs en onderwerpen onthield. Hij mag dan zijn 74e verjaardag in het tehuis vieren, zich laten verzorgen door een ‘luid kwakende kontenwasser met een door onderbetaling aangetast humeur’ nadat hij erin geslaagd is ’s nachts in zijn bed te poepen, alles wijst erop dat hij vroeg of laat de Styx over zal steken, zoals hijzelf bij herhaling zegt. Hij torst zijn last met zichtbaar genoegen terwijl de lezer volop mee mag genieten. 

Maarten van Boxtel

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Nacht

Karl Ove Knausgård, Nacht (Mijn strijd 4)
Vertaald door Marianne Molenaar
Oorspronkelijke titel:  Min Kamp. Fjerde bok
Uitgeverij De Geus, Breda 2013
477 pagina’s
ISBN 978 90 445 2657 8
€ 25,- (e-book € 19,99)

Om maar met de deur in huis te vallen: Nacht  is een heerlijk boek. Ook in dit vierde deel van zijn cyclus Mijn strijd is het een verhaal dat dobbert op de ogenschijnlijk alledaagse, vaak onbeduidende voorvallen in Knausgårds leven, maar voor je er erg in hebt ben je door de stroom aangenaam gewiegd en meegevoerd. In een hypnotiserende ritme vertelt hij over de belevenissen rond zijn 18e jaar, waarbij hij er niet voor terugschrikt zich schaamteloos te tonen, zonder zichzelf te sparen.

Het raam van dit deel wordt gevormd door het jaar dat Knausgård toen hij 18 was met zijn gymnasiumdiploma op zak naar een dorp in het noorden van Noorwegen vertrok om daar als invaller een jaar les te geven op de plaatselijke middenschool (in het Noorse schoolsysteem gaan leerlingen na de lagere school eerst drie jaar naar een middenschool voor ze een gespecialiseerde keuze maken). Hij krijgt daar dus te maken met kinderen tussen de 12 en 15 jaar.

Als hij in het hoge noorden arriveert, is hij meteen gegrepen door de uitgestrektheid en de leegte maar ook de schoonheid van het landschap. Het dorpje Håfjord waar de school staat en hij een kamer betrekt heeft hij in een kwartiertje lopen in zijn geheel doorkruist. Een kleine, hechte gemeenschap dus, waar de mannen met visvangst de kost verdienen en iedereen elkaar kent. Voor Knausgård is zijn jaar als vervanger op de school een vlucht uit de beklemmende thuissituatie en een aanloop naar zijn gedroomde carrière als schrijver.

Het voornemen een voorschot op een schrijversleven te nemen en de beschikbaar tijd aan de literatuur te wijden wordt ernstig dwarsgezeten door het bruisen van zijn hormonen. Al die meisjes om hem heen (en hij maar nauwelijks ouder), die hem niet zelden met verliefde ogen bekijken - hun zachtheid en ronde vormen wakkeren zijn wanhopig verlangen naar seks voortdurend aan. Maar dan is er de schroom die hij voelt als hij hen wil benaderen. Schroom die hij alleen met overmatig drankgebruik weet uit te schakelen.

Met dat verlangen naar seks en de zucht naar alcohol legt Knausgård zijn twee zwakke plekken bloot. Twee problemen, ook, want als hij gaat drinken, weet hij maar moeilijk maat te houden. Zijn dronkenschappen zijn echter zo totaal dat hij zich de volgende dag nauwelijks meer kan herinneren wat hij heeft gezegd of gedaan. Hij verliest niet alleen zijn barrières in die roes, hij verliest er zichzelf in. En als het om seks gaat lukt het hem niet daadwerkelijk gemeenschap te hebben omdat voortijdige zaadlozing een snel en abrupt einde aan zijn pogingen maakt. Hij is achttien en nog altijd maagd (al heeft hij, zoals hij zichzelf geruststelt, in formele zin de grens van de maagdelijkheid met enkele centimeters overschreden) en vreest dat de rest van zijn leven te blijven.

Binnen de vertelling over zijn werk en leven als leraar kijkt Knausgård terug op zijn laatste jaren op het gymnasium. De moeilijke verhouding met zijn vader, de scheiding van zijn ouders en zijn gependel tussen beiden, en de manier waarop hij zich als puber tegen alles en nog wat, inclusief zijn liefhebbende moeder, verzet – hij gaat geen onderwerp uit de weg. Eén ding staat echter rotsvast: hij zal schrijver worden. In de literatuur vindt hij wat hij in zijn eigen leven en in zijn omgeving niet kan vinden. Misschien lukt het hem in Noord-Noorwegen niet vaak genoeg, hij slaagt er wel in zijn eerste verhalen te schrijven en daarmee de eerste stappen op zijn uiteindelijke levenspad te zetten.

In Nacht doet Knausgård opnieuw openhartig verslag. Hij doet dat met vaart en humor en op een manier die bedrieglijk is in zijn eenvoud. Zijn verhaal zit vol met prachtige beschrijvingen en scherpzinnige en fijnzinnige observaties. Hij toont ons een kwetsbare, zoekende jongeman; kwetsbaar in de manier waarop hij naar zichzelf kijkt, zoekend naar de persoon die hij graag zou willen zijn. Het leven is voor hem zoals de dagen in het hoge noorden: soms overgoten door de gloed van het voortdurende licht, dan weer overvallen door een ondoordringbare duisternis. Als lezer kun je alleen maar met hem meeleven en meevoelen en hopen dat het goede hem ten deel valt. Het goede dat ons ten deel valt, is de wetenschap dat er nog twee delen in deze reeks zullen verschijnen.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------




Jongen die terugkeerde

Christoffer Carlsson, De jongen die terugkeerde
Vertaald door Rory Kraakman
Oorspronkelijke titel:  Den enögda kaninen
Uitgeverij De Geus, Breda 2013
413 pagina’s
ISBN 978 90 445 2036 1
€ 15,- (e-book € 11,99)

David, heet de jongen die uit Stockholm waar hij filosofie studeert voor een paar zomermaanden terugkeert naar zijn geboortedorp Dalen. Hij verwacht er een onbezorgde tijd, even terug op het oude nest, met vrienden die hij al weer enige tijd niet gezien heeft. In De jongen die terugkeerde vertelt hij zijn verhaal, en dat is een geschiedenis waar hij onbevangen instapt als die onschuldig begint. De lezer weet wel beter. Al op de eerste bladzijde is er een samenvatting van wat kranten schrijven over een voorval aan het eind van die zomer en de foto die ze daarbij publiceren van vier dode lichamen. ‘Afrekening in Dalen’ is de begeleidende tekst.

Eenmaal terug duurt het niet lang voor een van zijn vrienden hem belt en zegt dat hij hem iets moeten laten zien. David belooft te komen, vooral uit nieuwsgierigheid naar de gevolgen van sommige beslissingen. Dat onbeduidend lijkende besluiten grote gevolgen kunnen hebben, wordt al snel duidelijk. Ze hebben een huis ontdekt, de vrienden van David. Afgelegen en verlaten is het de ideale plek om de lege uren van de zomer te verdrijven met drank en af en toe een joint. Maar de plek is voor nog iets bijzonders geschikt. Ze kunnen er de spullen kwijt die ze uit de huizen van dorpsbewoners stelen en daar ongezien bewaren tot ze ze op een  antiekmarkt kunnen verkopen. Opnieuw laat David zich gemakkelijk overhalen en neemt hij aan de berovingen deel.

Nu David weer in Dalen is, kan hij zijn grote liefde Alex ook weer ontmoeten. Dat dat niet in alle openheid gebeurt, komt doordat zij de zus is van zijn beste vriend Lukas. David wil niet dat die vriendschap stukloopt op het feit dat hij seks heeft met diens zus. En zo komt het dat Davids dagen al snel niet meer in het patroon van het zalige nietsdoen verlopen, maar hij zijn tijd moet verdelen tussen zijn vrienden, de inbraken, Alex en het huis en zijn merkwaardige geschiedenis.

Er is iets met het huis. David weet deels te achterhalen wie er in de loop van de tijd hebben gewoond en wat er met de bewoners is gebeurd, maar het werkt ook direct op zijn zenuwen. Hij – maar wel hij alleen – ziet het van kleur veranderen en meent er voortdurend gefluister te horen. Met deze gewaarwordingen voegt de auteur een mysterieuze laag aan de roman toe, iets wat nog wordt uitgebreid met de introductie van een jongetje van een jaar of zes dat de hele dag rondsjouwt met een konijn met één oog. Kasper, heet het ventje, en hij voert gesprekken met zijn troeteldier, dat in zijn antwoorden (door de jongen zelf geuit) over een opmerkelijk observatievermogen en in zekere zin zelfs voorspellende gaven blijkt te beschikken. Extra benauwend wordt het als blijkt dat Kasper alles weet over het feit dat David en zijn vrienden bij het huis rondhangen en wat daar gebeurt.

De dingen die daar gebeuren, zijn ondertussen allang hun relatieve onschuld kwijt. Tijdens een beroving van een oude dorpsbewoner – een inbraak waar David niet bij aanwezig was - zijn ze op heterdaad door hun slachtoffer betrapt. De confrontatie loopt totaal uit de hand en de oude man wordt vermoord. Na wat gesol met het lichaam besluiten ze het lijk te verbranden en vervolgens zo goed en zo kwaad als dat gaat te doen alsof er niets vreselijks is voorgevallen.

Uiteraard is de werkelijkheid weerbarstiger. De politie stelt een onderzoek in naar de verdwijning van de dorpsbewoner, er blijkt naast het jongetje met het konijn nóg iemand te zijn die hen bij het huis observeert en dan moet David ook het ook nog zien te stellen met zijn schuldgevoelens. Al met al is er van een onbezorgde zomer niets terechtgekomen. Onvermijdelijk stapelen de dramatische momenten zich op. Langzaam maar zeker verliezen de vrienden de greep op de gebeurtenissen, raken ze betrokken in een misdadige wereld die hun amateurisme ver te boven gaat en stevent het verhaal af op zijn gruwelijke ontknoping.

Carlsson laat David in de tegenwoordige tijd en in de ik-vorm vertellen wat hij meemaakt en daarmee betrekt hij de lezer bij een verhaal dat hij door het stapje voor stapje op te bouwen de nodige spanning meegeeft. Maar het is ook een verhaal dat hinkt op twee gedachten. De ‘realiteit’ van de handelingen van de vrienden zorgt voor een tamelijk klassiek verlopend misdaadverhaal. Maar dan zijn er die mysterieuze elementen, die wellicht bedoeld zijn om het klassieke karakter van het geheel te doorbreken, maar die er meteen ook een volkomen ongeloofwaardige dimensie aan geven. Dat het huis op Davids zenuwen werkt is alleszins voorstelbaar. Maar een eenogig konijn met voorspellende gaven doet wel erg gekunsteld aan, en dat is jammer want dat doet afbreuk aan het verder soepel en overtuigend vertelde verhaal van de jongen die terugkeerde en aan den lijve ondervond hoe kleine beslissingen tot grote gevolgen kunnen leiden.

Rien Broere

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Prostitutie

Renate van der Zee, Prostitutie: de waarheid achter de Wallen
Uitgeverij World Editions, Breda 2013
121 pagina’s
ISBN 978 94 6237 032 6
€ 11,90,- (e-book € 9,99)

Renate van der Zee schrijft in kranten als NRC en de Volkskrant over allerlei vormen van onrecht vrouwen aangedaan – en dan is onrecht zachtjes uitgedrukt. Ze schreef over eerwraak (Eerwraak in Nederland), het incestverleden van een Marokkaanse vrouw (Een meisje voor dag en nacht) en slachtoffers van mensenhandel (Bitter avontuur). En nu dus over prostitutie. Als het over de Wallen gaat, wordt het red light district als folklore en toeristische attractie bestempeld, maar het is in feite niets anders dan een plek waar vrouwenhandel en daarmee een flagrante vorm van schending van mensenrechten aan de orde van de dag is.

Van der Zee noemt haar boekje een pamflet, waarin ze ingaat ‘op de grootste misvattingen over prostitutie’ en hoopt dat ze met het vertellen van de waarheid erachter een eerlijke discussie op gang kan brengen.

Prostitutie: de waarheid achter de Wallen is opgebouwd uit zes hoofdstukken die elk een breed gedragen misvatting over prostitutie ‘behandelen’. Zo rekent ze af met de opvattingen dat het er gemakkelijk geld verdienen is, dat vrouwen er zelf voor zouden kiezen, dat prostitutie voorkomt dat mannen gaan verkrachten, dat het normaal is omdat het in ons land legaal is, dat een verbod alleen maar tot ondergrondse activiteiten zou leiden en dat het nu eenmaal het oudste beroep ter wereld is.

Tussen deze aanklachten door laat Van der Zee prostituees aan het woord, die over de gruwelen en de risico’s van het beroep vertellen. Geen verhalen om vrolijk van te worden, maar goed dat het aan de orde wordt gesteld. En dat dat nodig is, blijkt ook wel uit de getuigenis van een hoerenloper die in zijn verhaal zo’n beetje alle bestaande misvattingen bevestigt.

Het gaat de schrijfster niet om een verbod op prostitutie. Als er vrouwen zijn die het werkelijk uit vrije wil doen, zal zij zich daar niet negatief over uitlaten. Waar het haar wel om te doen is – en dat is meteen het ondoorzichtige van de seksindustrie – is dat er in het verborgene mensenrechten met voeten worden getreden en dat veel vrouwen daar het slachtoffer van zijn zonder er iets tegen te kunnen doen.

Misschien mag je van de man die op zoek naar instant bevrediging zijn geslacht achterna loopt niet verwachten dat hij de werkelijkheid op de Wallen met een genuanceerde blik bekijkt. Voor wetgevers en –handhavers geldt dat excuus uiteraard niet. Zij dienen zich te realiseren welke mensonterende praktijken zich achter de ramen afspelen.

Van der Zee doet enkele voorstellen om tot verbetering van de situatie te komen. Ze oppert een effectief pooierverbod, goede uitstapprogramma’s voor prostituees, betere voorlichting over de gevaren, een publiekscampagne die mannen duidelijk maakt dat zij de misstanden in stand houden door seks te kopen en het voorstel het Zweedse model (hoerenlopen is strafbaar) tegen het licht te houden. Maar eerst en vooral wil Van der Zee de erkenning dat prostitutie een probleem is. Met haar pamflet geeft ze in elk geval een aanleiding én een handvat voor een fundamentele discussie.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


De familie Forrest
Emily Perkins, De familie Forrest
Vertaald door Miebeth van Horn
Oorspronkelijke titel:  The Forrests
Uitgeverij Signatuur, Utrecht 2013
296 pagina’s
ISBN 978 90 5672 452 8
€ 19,95

Emily Perkins groeide op in Nieuw-Zeeland, wilde actrice worden maar bleek naar eigen zeggen beter te presteren als serveerster, en richtte zich uiteindelijk op de literatuur. In 1994 verhuisde ze naar Londen en daar verscheen twee jaar later haar eerste boek. Ruim tien jaar later keerde ze terug naar Auckland, Nieuw Zeeland. Van haar werk is eerder Roman over mijn vrouw bij Signatuur verschenen en nu dus haar laatste boek De familie Forrest.

De roman gaat met grote sprongen door het leven van de leden van het gezin Forrest, om vervolgens op bepaalde momenten in dat leven in te zoomen. Grote gebeurtenissen worden soms in niet meer dan een enkel zinnetje aangestipt, om vervolgens tot in detail in te gaan op de situatie van een later moment. Dat, zeker in het begin, ook nog eens bij alles wat Perkins beschrijft de complete familie een rol moet spelen, maakt het voor de lezer niet gemakkelijk zich in een of enkele personages in te leven.

De familie Forrest bestaat uit vader en moeder, de dochters Dorothy, Evelyn en Ruth en de zoon Michael. Daniel, een vriendje van Michael, krijgt geleidelijk aan ook een plaats binnen het gezin. Hij zou als een volwaardig familielid gezien kunnen worden als er niet vanaf het begin die lichamelijke spanning tussen de meisjes en de begeerlijke Daniel was geweest – een spanning die tot in lengte van jaren voortduurt.

De uiteindelijke hoofdrol is weggelegd voor Dorothy. Ze is met de anderen van New York naar Nieuw-Zeeland verhuisd. Haar vader koestert de droom van een succesvolle carrière als toneelschrijver, wat hem weer terugvoert naar Manhattan. Het gezin moet het lange tijd zonder hem stellen. In die vaderloze periode neemt moeder haar kroost mee naar een wimmin’s commune, waar een aantal vrouwen een zorgeloos leven verstoken van stromend water of televisie probeert te leiden en een van hen met haar onverbloemde seksuele avances Michael de stuipen op het lijf jaagt.

Als de roman begint is Dorothy zeven jaar, aan het einde is ze een bejaarde vrouw. Het lijkt dat de auteur een herkenbaar bestaan wil schetsen, met de daarin voorkomende hoogte- en dieptepunten zoals het leven die nu eenmaal voor ons in petto heeft. Verliefdheden, huwelijk, feesten, verhuizingen, geboorte en dood – alle herkenbare gebeurtenissen zoals die in de jaren tussen de kindertijd en de bejaarde jaren plaatsvinden, komen aan bod.

In haar leven maakt Dorothy dus al die dingen mee. Ze trouwt al op jonge leeftijd zonder dat ze erin slaagt Daniel te vergeten. Ze moet  accepteren dat ook haar zus Evelyn voor hem is gevallen. Daniel op zijn beurt breekt in de loop der jaren heel veel vrouwenharten. Dorothy vlucht in de zorg voor haar talrijke kinderen. Haar broer raakt aan de drugs en haar ouders en zus Ruth verkassen opnieuw naar Amerika en laten het contact met haar verwateren. Het moge duidelijk zijn, voor geen van de leden van de familie Forrest is het leven een korstje kaas.

De familie Forrest is een fragmentarisch uitgewerkt boek. Dat is jammer, omdat op deze manier de werkelijk dramatische gebeurtenissen onderbelicht blijven en de nadruk op breed uitgesponnen, tamelijk willekeurig lijkende terzijdes komt te liggen. Dat de roman overeind blijft, komt door het stilistische talent van de schrijfster. In haar stijl toont zij haar literaire vermogens, en het is te hopen dat ze die in een volgend boek minder voor versiering en meer voor de hoofdlijnen van een verhaal aanwendt.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Diverse dieren levend en dood

Marina Lewycka, Diverse dieren, levend en dood
Vertaald door Anneke Bok
Oorspronkelijke titel:  Various Pets Alive and Dead
Uitgeverij De Geus, Breda 2013
412 pagina’s
ISBN 978 90 445 2466 6
€ 19,95 (e-book € 15,99)

Het bekendste boek van de Britse schrijfster Marina Lewycka is ongetwijfeld Een korte geschiedenis van de tractor in de Oekraïne. Voor die roman verdiende ze zelfs een nominatie voor de Man Booker Prize. Diverse dieren, levend en dood mist de oorspronkelijkheid van dat debuut en haar personages raken hier en daar aan het karikaturale, maar Lewycka heeft er een eigentijdse zedenschets mee afgegeven die goed is voor enkele vermakelijke leesuurtjes.

Lewycka vertelt haar verhaal vanuit verschillende perspectieven. Allereerst is er Serge, zoon van Doro en Marcus, die zijn studie wiskunde aan de universiteit van Cambridge eraan heeft gegeven om voor een kapitaal salaris zijn rekenkundige inzichten ten dienste van een financiële handelsfirma te stellen. Dat hij voor het grote geld heeft gekozen, heeft hij nog niet aan zijn familie durven vertellen. Binnen het gezin van Doro en Marcus stond kiezen voor geldelijk gewin gelijk aan een vorm van heel hard vloeken in de kerk.

Dan is er zijn zus Clara. Zij is een vrijgezel die niet het allervlotst contacten met mannen aangaat. Ze geeft les op een school in een achterstandswijk, waar ze dagelijks een gevecht voert om haar zware werk aan een vorm van idealisme verbonden te laten blijven. Daarmee raakt ze op een bepaalde manier toch nog enigszins aan de socialistische idealen van haar ouders.

Van die ouders blijft de vader op de achtergrond. Hij verstopt zich de hele dag in zijn werkkamer om te schrijven aan zijn belangrijke theoretische werk over  ‘de geschiedenis van de autonomistische beweging in de jaren zeventig’. Daarmee plaatst Lewycka hem niet alleen buiten de hedendaagse maatschappij, maar ook buiten haar verhaal.

Het is Doro, Serge en Clara’s moeder, die een dragende rol heeft. Zij heeft haar kinderen opgevoed in een commune in de jaren ’70, met alle links-radicale overtuigingen van dien. Dat ze ook zelf die afweer tegen de rechts-liberale opvattingen niet helemaal meer voelt, blijkt uit het feit dat zij en Marcus na al die jaren te hebben samengeleefd besloten hebben te trouwen. Om dit nieuws aan haar kinderen mee te delen, zoekt ze met hen contact, waarbij ze Serge in een lastig parket brengt omdat hij koste wat kost tegenover haar wil volhouden dat hij studeert en Clara het schaamrood op de kaken bezorgt als ze op een open dag op haar school acte de présence geeft. Waar moeder en dochter ook nog mee te stellen hebben is met Oelie-Anna, pleegkind en pleegzus, die lijdt aan het syndroom van Down en een bovenmatig grote belangstelling voor alles wat met seks te maken heeft aan de dag legt.

Serge ondertussen heeft het niet gemakkelijk op zijn werk. De crisis slaat toe en zijn speculaties op de aandelenmarkt – niet alleen met zijn eigen geld, maar ook dat van een van zijn superieuren – brengen hem van de regen in de drup en maken een stap op de hiërarchische ladder binnen de firma onmogelijk. Die promotie is weggelegd voor de sensuele Maroesjka, wiskundig genie en object van Serges hijgerige hunkering.

Diverse dieren, levend en dood is een tragikomedie die twee uitersten tegenover elkaar zet: het ‘onbaatzuchtige’ alles-is-van-iedereen leven in de commune versus de meedogenloze ieder-voor-zich graaicultuur in de bankensector. Voor de liefhebber heeft Marina Lewycka er zelfs enkele regelrechte slapstick scènes in verwerkt. Verwacht geen genuanceerde schets van beide werelden, daarvoor zijn de personages – zeker in Serges habitat – te veel een karikatuur. Daardoor is het niet zozeer een roman die tot denken aanzet, maar eerst en vooral een boek dat vermaakt.

Rien Broere

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De helleveeg

A.F.Th. van der Heijden, De helleveeg
De Bezige Bij, Amsterdam
244 pagina’s
978 90 234 8391 5
€ 18,50

In de roman De helleveeg wordt Tiny van der Serckt opgevoed door haar oudste zus Hanneke. Korte tijd later krijgen Hanneke en haar man zelf een zoon, Albert Egberts jr., hoofdpersonage in De tandeloze tijd, de reeks waarmee A.F.Th. van der Heijden veel indruk maakte in de jaren ’80. Met deze nieuwe roman voegt hij na lange tijd een nieuw deel (5) toe. En evenals de andere personages uit de eerdere kronieken wordt ook Tiny, Tientje Poets voor intimi, bepaald niet geflatteerd maar waarschijnlijk wel naar het leven getekend.

Aanvankelijk wonen ze allemaal in het kleine huis in de Eindhovense wijk Stratum (dichtbij Geldrop) waar Albert ‘als een eendje achter haar aan waggelde’.  Hij is overal bij, ziet veel, onthoudt gesprekken tot in detail. In deze terugblik op haar leven voorziet hij zijn tante in de eerste en laatste zin van haar felgele stofdoek die ze altijd bij zich heeft om er ‘een terloopse veeg mee over de armleuningen van het meubilair te vegen’. Het verzwegen onrecht van haar vader, moeder, Hanneke en haar man moet immers opgeruimd worden. Alles moet aan kant, waarbij ze steeds haar machtigste wapen inzet: haar venijnige tong.
Waar Tiny komt, wordt de boel opgestookt, verbaal en virtuoos. De dialogen in deze roman zijn heerlijk, het vuige zit in ieder woord, de confrontaties zijn meedogenloos. Tiny lust ze rauw, of het nu haar moeder is – die ze zelfs als oude  vrouw aan de halsband legt – haar oudere zus Hanneke of haar man Koos Kassenaar. Echt giftig wordt ze als de naam van Nico van Dartel valt, de man die haar op haar 14e verkrachtte, waarna ze ‘geholpen’ werd door een vrouw met vuile handen en rouwnagels, ergens boven een viswinkel, tot de dood er bijna op volgde. Hier ligt de bron van alle kwaad. 

De kleine Albert is erbij als jonge mannen werk maken van zijn mooie tante, maar hij ziet ook hoe ze haar laten vallen als blijkt dat ze onvruchtbaar is. Wanneer ze er dan toch in slaagt een man aan zich te binden, wordt haar trouwdag weer versjteerd door dit ‘gerucht’. Ze blijven samen maar vechten elkaar iedere dag het kot uit met eenzelfde verbitterde woordenstrijd als die tussen George en Martha in Albee’s Who’s afraid of Virginia Woolf, zij het dat Koos zijn vrouw nauwelijks partij geeft.  

Tegen het einde van de roman vertelt Albert hoe Tiny op de crematie van Hanneke uit de doeken doet dat de kinderloosheid een eeuwig twistpunt tussen hen beiden geweest is (zoals in Who’s afraid) maar dat Koos in de loop der jaren meer dan zestig kinderen op de wereld gezet heeft. ‘Hij heeft zijn overspel … ook het handwerk, via de bank … verzwegen om mij, onvruchtbaar zielenpietje, niet voor het hoofd te stoten.’  Ze maakt hem af. Met zulke tenenkrommende toespraken op de verkeerde momenten speelt Van der Heijden eenzelfde spel met de conventies als regisseur Thomas Vinterberg in de film Festen, waarin een vader op zijn zestigste verjaardag door zijn zoon en plein public beschuldigd werd van incest.   

De helleveeg is een roman van angst, pijn en humor geworden. Albert krijgt beetje bij beetje in de gaten hoe de vork in de steel zit. In eerste instantie was hij te jong om de gesprekken te volgen, maar hij komt allengs dichter bij zijn tante. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Zij bezorgt hem zelfs opnieuw zijn  impotentie, maar het lijkt erop dat zij hem de kunst der eloquentie met de paplepel ingegoten heeft.   

Maarten van Boxtel

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


De man uit Albanie

Magnus Montelius, De man uit Albanië
Vertaald door Geri de Boer
Oorspronkelijke titel:  Mannen från Albanien
Uitgeverij Signatuur, Utrecht 2013
256 pagina’s
ISBN 978 90 567 2462 2
€ 19,95 (e-versie € 15,99)

De man uit Albanië is een Zweed en al direct in het begin van de roman komt hij, uitgedost als een zwerver, door een val aan zijn eind. Een tweede zwerver is op dat moment vlakbij hem in de buurt en hoewel hij niet heeft gezien wat er precies is gebeurd, is zijn waarneming genoeg om te betwijfelen of de man uit Albanië vrijwillig de diepte in is gedoken. Een toevallig passerende journalist ziet er in elk geval een verhaal in en dat brengt een en ander aan het rollen.

De journalist – Tobias Meijtens – kan wel een aansprekend verhaal gebruiken. Zijn aanstelling bij de krant 7Plus is maar tijdelijk en dreigt niet te worden verlengd. De redactiechef wil hem zelfs niet meer toebedelen dan de rubriek waarin korte overzichtjes van hoogtepunten uit het nieuws van de voorbije week worden samengevat. Meijtens bijt zich echter vast in de kwestie van de gestorven en wellicht vermoorde man uit Albanië en gaandeweg krijgt hij genoeg krediet om samen met zijn vrouwelijke collega Natalie Petrini op de zaak te worden gezet.

Naarmate de achtergrond van de uit Albanië afkomstige Zweed meer en meer gestalte krijgt, blijkt dat maar weinig is wat het lijkt te zijn. De dode heet Erik Lindman en van belang is in elk geval zijn studententijd, toen hij zich in de hoogtijdagen van de Koude Oorlog tot een ware marxist ontpopte. Hoewel een briljant student, lid van studentenvereniging Veritas en voorbestemd na zijn doctoraal te worden aangenomen op de school voor aspirant-diplomaten van het ministerie van Buitenlandse Zaken, geeft hij van de ene dag op de andere de studie op om als krantenbezorger aan de slag te gaan.

Een jaar later blijkt Lindman verdwenen. Volgens bronnen bij de inlichtingendienst zou hij, door de KGB als spion geworven, naar Moskou zijn gegaan. Nu hij terug in Zweden morsdood is gevonden, rijst de twijfel of die versie van de gebeurtenissen klopt. Zou het kunnen dat hij niet naar Rusland, maar naar Albanië is gegaan? En waarom kwam hij – in tamelijke haveloze toestand – terug naar zijn Scandinavische geboorteland?

Uiteraard is de politie onder leiding van inspecteur Tilas inmiddels ook een onderzoek begonnen, maar Meijtens en Petrini zoeken zoveel mogelijk hun eigen weg. Ze hebben gesprekken met oude vrienden van de studentenvereniging, publiceren een prominent artikel over de vele raadsels rond de geschiedenis en de dood van Lindman en komen daardoor op hun beurt in het vizier van de geheime dienst die nog altijd niets liever doet dan de ene onwaarheid met de andere leugen afdekken om op die manier de waarheid zo ondoorgrondelijk mogelijk te maken. Ondertussen krijgt inspecteur Tilas steeds nadrukkelijker het gevoel dat de journalisten meer weten dan ze aan hem willen prijsgeven. Ze sollen met hem, vindt hij zelf, en omdat hij niet van plan is het erbij te laten zitten, krijgt Meijtens ook hem nog op zijn dak.

De auteur richt zich vooral op het langzaam vormgeven van het verhaal rond Lindmans plotselinge verdwijning en wat er daarna is gebeurd. Dat betekent dat hij veel informatie kwijt moet in de antwoorden die de geïnterviewden de journalisten geven. Om te voorkomen dat het verhaal verzandt in droge stof, maakt hij met een eenvoudig trucje de dialogen leesbaarder, door het opdissen van feiten te onderbreken met een korte, niet ter zake doende observatie. Omdat Montelius zich daarvan echter voortdurend blijft bedienen, gaat het tegen zich werken.

De geschiedenis zoals die zich langzaam ontvouwt is tamelijk ingewikkeld, maar zit ingenieus in elkaar. De veelheid aan personages die het toneel beklimmen – zowel acterend in Lindmans verleden als actief in het heden - maken het geheel tot een kluif die voortdurende aandacht van de lezer vraagt. Dat is uiteraard geen bezwaar, zeker niet als de uiteindelijk ontknoping de moeite waard blijkt te zijn. Daar zorgt Montelius voor en zo wordt De man uit Albanië een vernuftig opgebouwde spionageroman die zijn plaats heeft mogen innemen in de serie Signatuur Noir.

Rien Broere

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Doelwit in de nacht

Ricardo Piglia, Doelwit in de nacht
Vertaald door Harriët Peteri
Oorspronkelijke titel:  Blanco nocturno
Uitgeverij Signatuur, Utrecht 2013
256 pagina’s
ISBN 978 90 567 2387 1
€ 19,95 (e-versie € 15,99)

Doelwit in de nacht is het nieuwste deel in de serie Signatuur Noir. Het verhaal speelt zich af in een Argentijns dorp, dat de rust al enigszins verstoord ziet door de komst van Tony Durán, een vreemde die het met een van de dochters Belladonna aan heeft gelegd. Of met allebei, dat weet niemand zeker, want de gezusters Ada en Sofia zijn even identiek als mooi. Gedrieën genieten ze van de geneugten van het bestaan, tot een onverlaat een mes in Duráns borst zet en zo  een einde maakt aan diens leven.

Aan de oude commissaris Groce te taak uit te vogelen wat er precies is gebeurd en wie de dader is. Dat doet hij een poos op zijn eigen kalme wijze, waarbij hij niet voetstoots accepteert wat de dorpelingen als een feit zien, namelijk dat Yoshio, de beste vriend en hulp van Durán hem in een vlaag van liefdevolle jaloezie om zeep heeft geholpen.

De officier van justitie Cueto wil graag als doortastend worden gezien en vindt de moord door Yoshio bewezen. Dat Groce daar niet in mee wil gaan, is voor hem dan ook een duidelijk geval van tegenwerking. Tegenwerking die heel plotseling weer ophoudt als Groce zijn intrek in een gekkenhuis blijkt te hebben genomen.

Ondertussen is er een journalist uit de hoofdstad in het dorp gearriveerd die zich in de zaak gaat verdiepen. Uit de gesprekken die hij heeft met de dorpelingen, blijkt er een oude financiële kwestie binnen de familie Belladonna te spelen, die ook nu nog doorwerkt.

Piglia heeft zijn verhaal voorzien van voetnoten, die het geheel een documentair karakter lijken te geven. Daarnaast geeft hij ruimte aan de ontboezemingen van een van de zusjes Belladonna. Het resultaat is een mix van verhalen binnen een verhaal die de vraag wat waar is en wat niet levend houdt.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Politie

Jo Nesbø, Politie
Vertaald door Annelies de Vroom
Oorspronkelijke titel:  Politi
Uitgeverij Cargo, Amsterdam 2013
496 pagina’s
ISBN 978 90 234 8154 6
€ 19,90 (e-versie € 14,99)

Harry Hole, de eigenzinnige rechercheur en hoofdpersoon in een tiendelige reeks thrillers van Nesbø, is terug. Dat is belangrijk, want het staat zelfs op de kaft vermeld. Voor hij écht terug is, moet de lezer trouwens wel even wachten tot het team dat een aantal moorden op politiemensen onderzoekt collectief met de handen in het haar zit en Hole zijn tegenzin heeft overwonnen. Hij heeft zich na zijn laatste zaak min of meer teruggetrokken uit het openbare leven en is les gaan geven op de politieacademie. Daar heeft hij het best naar zijn zin, samen met collega leraar Arnold Folkestad en weet hij zich door de studenten bewonderd om zijn staat van dienst.

Dat die bewondering soms erg ver gaat, blijkt wel als Silje een van zijn studentes, zich zo aan hem opdringt dat hij uit voorzorg een aantal bewijzen van zijn onschuld laat vastleggen. En dat is maar goed ook, want met haar uitdagende, prikkelende fantasieën brengt ze Hole in elk geval in geestelijke zin in het nauw. Ondertussen is deze studente allang niet meer zijn enige probleem. Hij heeft zich in de zaak vastgebeten en ziet zich voor een aantal op het oog nauwelijks oplosbare problemen geplaatst.

Er worden dus agenten vermoord. Dat dat niet willekeurig gebeurt, mag geen verbazing wekken. Elke moord vindt plaats op een plek waar eerder een dergelijk misdrijf heeft plaatsgevonden. Onopgelost gebleven zaken, en de nu omgekomen agenten waren steeds bij het onderzoek betrokken. Het oude team waar Hole lange tijd deel van uitmaakte, beseft dat er maar één persoon is die de impasse in het onderzoek kan doorbreken. Meer nog dan de overredingskracht van zijn oud-collega’s is het de gehaaidheid van de dader die hem met zijn moorden persoonlijk lijkt uit te dagen en hem doet besluiten zich in de zaak te mengen.

Nesbø zet zoals gewoonlijk ook nu meer dan één lijn uit. Aan de rand van het onderzoek speelt de relatie tussen Mikael Bellman en Isabelle Skøyen - de eerste tot commissaris gepromoveerd nadat hij de eer van het schoonvegen van de door drugshandel onveilig geworden straten van Oslo heeft opgeëist, de tweede in zijn kielzog opgeklommen tot wethouder - die geheim moet blijven om meer redenen dan het feit dat Bellman is getrouwd.
En dan is er nog de ontsnapping van een levensgevaarlijke gevangene die zijn eigen wraakzuchtige agenda af te werken heeft. Voor menig auteur genoeg stof voor meer dan één boek, maar Nesbø weet als geen ander alles tot een intrigerend geheel te vlechten.

Zoals steeds in zijn boeken, gaat het Nesbø in Politie om meer dan alleen het vertellen van een spannend verhaal. Het psychologische portret dat hij van zijn protagonisten weet te schetsen, tilt ook dit keer weer zijn roman uit boven de gemiddelde thriller. Vooral de mens Harry Hole is boeiend. Lichamelijk en geestelijk getekend door zijn strijd tegen de misdaad, worstelend met zijn relatie met Rakel, draagt hij de last van zijn geweten die is verzwaard door zijn optreden in een vorige zaak waar de zoon van Rakel bij betrokken was. Alcohol bood hem lange tijd een vlucht uit de wrede werkelijkheid, maar daarvoor betaalde hij de prijs van vreselijke nachtmerries. Inmiddels heeft hij de alcohol afgezworen, al doet het verlangen naar ontsnapping uit de realiteit regelmatig pogingen hem tot één enkel drankje te verleiden. En dan is er de studente Silje, die hem uitdaagt haar te verkrachten en zo een donkere kant van Hole zichtbaar maakt.

Politie is opnieuw een geslaagd, spannend en ingenieus gecomponeerd boek dat in navolging van de reacties in Noorwegen, waar binnen enkele dagen bijna driehonderdduizend exemplaren van het boek verkocht werden, ongetwijfeld wereldwijd op waardering kan rekenen. Terechte waardering, want met de nieuwe ‘Harry Hole’ toont Nesbø opnieuw zijn vakmanschap en maakt hij de hooggespannen verwachtingen helemaal waar.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------



Ventoux


Bert Wagendorp, Ventoux
Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam 2013
288 pagina’s
ISBN 978 90 204 1116 4
€ 19,95


Ventoux van Bert Wagendorp staat al weken in de lijst van best verkochte boeken. Dat kan liggen aan het hoogseizoen van de wielrennerij met de voorbije Giro d’Italia en de naderende Tour de France, de grote groepen (oudere) mannen die in het voorjaar en de zomer op mooie, dure racefietsen hun conditie op peil houden, de populaire columns van de auteur in de Volkskrant, zijn bekendheid onder lezers van het literaire wielertijdschrift de Muur waarvan hij redacteur is. 

Misschien is het succes te verklaren uit de sympathie die de titel al direct oproept: de Mont Ventoux is de Calvarieberg van het Britse wielericoon Tommy Simpson, bedevaartplaats voor de kankerbestrijding, landmark voor iedereen die naar Zuid-Frankrijk rijdt en een door dichters en schrijvers veelbezongen ‘kale berg’. Je zou ook kunnen zeggen dat het pad voor dit soort romans geëffend werd door  Tim Krabbé, die met De renner een door velen gekoesterd psychologisch en persoonlijk sportboek schreef.

Het is vast allemaal waar, maar er is beslist meer aan de hand. Wagendorp schreef met Ventoux een verhaal dat direct en vanzelfsprekend aanslaat, een roman van de klare lijn, waarin ik-verteller Bart Hoffman direct afstevent op een gebeurtenis die zich afspeelt aan het begin van de jaren ’80, als vijf vrienden en hun wonderschone vriendin Laura na hun examen naar de Provence rijden om de Mont Ventoux met de fiets te beklimmen.  De afloop hiervan is bepalend voor het verloop van de vriendschap.  Na dertig jaar volgt de reprise van deze beklimming door dezelfde personages op een na. Het idee van de reünie kwam van Laura, die na al die jaren plotseling weer opdook. Haar onthullingen houden de lezer op het puntje van zijn stoel.

Ventoux is een roman over vriendschap. Hoffman vertelt hoe hij zijn vrienden op de middelbare school leert kennen. Ze zijn allemaal anders, maar vormen samen de regenboog van de hechte vriendschap: ‘De rationele geest van Joost, de emotionele van André, de romantische van Peter en de stoïcijnse van David, dat klopte. Het is altijd moeilijk om jezelf te analyseren, maar ik denk dat ik van alles wat had.’ Er wordt gedronken, er wordt gesport en uitgedaagd, er vallen klappen en Laura is de hoofdprijs.

Zij komt adembenemend het verhaal binnen en laat zich op geen enkel moment meer wegdenken, niet door de mannen, niet door de jongens van weleer, niet door de lezers. Ze is de muze van Peter Seegers, de verdoemde dichter van het gezelschap, die op de top van de Mont Ventoux zijn vrienden begeestert met een hallucinerend gedicht over de zojuist door hem beklommen berg. Hiermee verwijst de verteller naar een gedicht dat Jan Kal in 1974 schreef nadat hij de Mont Ventoux had beklommen en, evenals Bart en zijn vrienden, bevangen werd door ijdelheid en angst.
Die berg doet kennelijk iets met mensen. En eerste liefdes draagt men een leven lang met zich mee.  Dat zijn twee belangrijke boodschappen van deze fraaie roman. Als je die helder weet te verwoorden, met soepele dialogen vol bravoure en tere plekken, humor in de kleine zinnetjes en een tintelende spanning, dan is het zeker meer dan een goed getimed relaas over fietsende vrienden.  

Maarten van Boxtel

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De vijand van mijn vader

Almudena Grandes, De vijand van mijn vader
Vertaald door Mia Buursma
Oorspronkelijke titel:  El lector de Julio Verne
Uitgeverij Signatuur, Utrecht 2013
400 pagina’s
ISBN 978 90 5672 461 0
€ 22,95 (e-versie € 17,99)

Spanje 1947. Nino Perez is negen jaar en groeit op in Fuensanta de Martos, een dorp in Andalusie aan de voet van de bergen. Samen met zijn vader, moeder en twee zusjes woont hij in een kazerne van de Guardia Civil. Het is de tijd dat Franco’s bewind met harde hand het volk onder de duim houdt. Vanuit de bergen voeren guerrillero’s strijd tegen het regime en dus tegen de ordehandhavers van de politie. Met een zekere regelmaat daalt de legendarische guerrillastrijder Cencerro de berg af om met zijn heldendaden de gevestigde orde te kijk te zetten. Cencerro is onverslaanbaar, want als de Guardia Civil er al in slaagt om hem te doden, duikt er na een tijdje vanuit diezelfde bergen weer een nieuwe op.

Als zoon van een guardia civil is Nino voor de meesten in het dorp iemand om te negeren, maar als Pepe el Portugues de afgelegen oude molen betrekt, vindt de jongen in hem een volwassen vriend, een rolmodel. Zo wil de – letterlijk – kleine Nino later worden: iemand die ogenschijnlijk zorgeloos door het leven gaat en zijn dagen vult met vissen, luieren en wandelen in de vrije natuur. Hoe anders is Pepe’s leven vergeleken met dat van de kazernebewoners, waar het regelmatig voorkomt dat Nino’s kleine zusje ’s avonds bang bij hem in bed kruipt als door de dunne muren het geschreeuw van de slachtoffers van verhoren te horen is, ‘(…) gegil, klinkers zonder betekenis, langgerekte, woeste letters als het gegrom van beesten uit een andere wereld, alleen nog lawaai, en nog meer gebonk van in elkaar zakkende lichamen die als balen, als meubelstukken, als stenen neerstortten, stenen die krijsten, die jammerden, die alleen in staat waren een enkele, lange, eindeloze klinker uit te stoten (…), en nog meer pijn, en sla me niet meer, ik weet toch niks, ik heb jullie al gezegd dat ik niks weet, sla me niet meer (…)’. Om haar gerust te stellen vertelt Nino zijn zusje dat wat ze hoort een film is, zoals ze die elke zomer op het plein vertonen en zing hij voor haar ‘het langste lied dat hij kent’.

Het is een strijd die slachtoffers maakt, dode guardia’s evengoed als guerrillastrijders, die steevast in de rug worden neergeschoten omdat – zo wordt er gezegd – ze hadden geprobeerd te vluchten. Een verwarrende wereld voor een kind van negen, met de heldenverhalen aan de ene en de vanzelfsprekende loyaliteit ten opzichte van zijn vader en diens verhaal aan de andere kant. In die omgeving is zijn vriendschap met Pepe een manier om aan de werkelijkheid te ontsnappen, er in elk geval voor een paar uur niet over na te hoeven denken.
Pepe leert hem de boeken van Jules Verne kennen. Nino blijkt een gretige lezer, die in de verhalen een nieuwe wereld binnengaat.

Nino wil voorlopig niet erg groeien en als dat zo blijft zal hij nooit later een guardia civil kunnen worden. Het lijkt zijn vader dan ook beter dat de jongen typlessen gaat volgen, zodat hij t.z.t. op een kantoor aan de slag kan. Voor de typlessen moet Nino de berg op, waar hij wordt onderwezen door dona Elena, die niet alleen over een schrijfmachine, maar ook over een in Nino?s ogen onuitputtelijke voorraad boeken beschikt. Een belangrijk deel van Nino?s leven speelt zich af bij de oude molen van Pepe of de hoeve van Elena, bijna letterlijk op de scheidslijn van twee werelden, die van de communisten boven in de bergen, die van de Guardia Civil beneden in het dorp.
Op een dag komt Nino achter een gruwelijke waarheid over zijn vader, een confronterende ontdekking waar hij mee zal moeten leren leven en die hem zal veranderen. Gelukkig weet Pepe het in het perspectief van de omstandigheden te plaatsen, waardoor Nino’s schrik, verbijstering, verdriet en woede hanteerbaar worden.

Almudena Grandes vertelt het verhaal van Nino uitgesmeerd over drie jaren, 1947, ‘48 en ’49, een tijd waarin de jongen zijn onschuld verliest en hij, hoe jong ook, de eerste stappen in de wereld van de volwassenen zet. Ze doet dat op een grandioze manier en in een bijzondere stijl. Meanderende zinnen geven het geheel een eigen ritme waarin als het ware het kloppend hart van de roman voelbaar is. Bijna achteloos strooit ze in terzijdes van Nino’s levensverhaal met anekdotes die de geschiedenis van het dorp tot leven brengen en schetst ze portretten van bijzondere dorpsbewoners die soms de loop van de gebeurtenissen bepaald hebben.
Voor haar boek, vertelt de schrijfster zelf in een nawoord, leunt ze op het levensverhaal van een vriend. Op een indrukwekkende wijze heeft ze zijn waarheid en die van haar fantasie vervlochten tot een verhaal dat het anekdotische overstijgt. Ze heeft het verhaal van een persoon boven zichzelf uitgetild en omgezet in prachtige, zuivere literatuur waarin de verbeelding zegeviert.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Gestolen leven

Adam Johnson, Gestolen leven
Vertaald door Miebeth van Horn
Oorspronkelijke titel:  The Orphan Master’s Son
Uitgeverij Bruna, Utrecht 2012
480 pagina’s
ISBN 9789056723972
€ 12,50 (e-versie € 11,99)

Gestolen leven verscheen al in 2012, maar met de toekenning van de Pulitzerprijs - die Johnson op 30 mei van dit jaar is uitgereikt – is er alle reden dit fenomenale boek (nogmaals) onder de aandacht te brengen. De roman baarde bij verschijnen al meteen veel opzien vanwege de plek waarop het verhaal zich afspeelt: Noord-Korea. En het mag dan fictie zijn, het Noord-Koreaanse decor is gebaseerd op Johnsons eigen ervaringen in en met het land, talloze gesprekken met bronnen uit het land zelf en jarenlang onderzoek. Het toont het ontluisterende gezicht van Noord-Korea zoals we dat konden vermoeden, maar de werkelijkheid blijkt nog verontrustender dan een normaal mens voor mogelijk houdt. Dat wordt versterkt door het contrast dat Johnson in zijn boek laat zien. Tegenover de gruwelen en de wreedheden van het regime vertelt hij een verhaal over de schoonheid van de liefde en de kracht van op liefde gebaseerde opofferingsgezindheid.

Pak Jun-do groeit op in weeshuis Verre Toekomst, maar is ervan overtuigd dat het hoofd van het weeshuis zijn vader is en dat de foto van de mooie vrouw die diens kamertje siert er een van zijn moeder is. Zij is, neemt Jun-do aan, naar Pyongyang afgevoerd, omdat dat nu eenmaal gebeurt met mooie vrouwen van het platteland. Wat eveneens gebruikelijk is, is dat de wezen worden ingezet om gevaarlijke, ongezonde klussen op te knappen. Aan dat deel van Jun-do’s leven komt een eind als het weeshuis moet sluiten omdat er niet voldoende voedsel beschikbaar is. Hij wordt ingezet bij een legeronderdeel dat zich voornamelijk ophoudt in de tunnels die lopen tot diep in Zuid-Korea. Daar leert hij vechten en door een speciale training gruwelijke pijnen te verdragen. Omdat hij ook Engels heeft moeten leren krijgt hij de taak met radioapparatuur de vijandelijke Amerikaanse berichten af te luisteren. Daarvoor vaart hij mee op een vissersboot die gebruikt wordt om aan de Japanse kust mensen te ontvoeren.

Noord-Koreaanse zeelieden hebben een afbeelding van hun vrouw of vriendin op hun borst getatoeëerd. Jun-do is niet getrouwd, maar als hij ten slotte als volwaardig bemanningslid wordt geaccepteerd, wordt dat bezegeld met het zetten van een tatoeage. Jun-do laat het portret van de actrice en zangeres Sun-moon op zijn borst tekenen. Zij is echter al opgeëist door  commandant Ga, glorieuze leider van zes succesvolle moordmissies in Zuid-Korea, winnaar van de gouden band in taekwondo en degene die het leger van alle homoseksuelen heeft gezuiverd. Als beloning hiervoor is Ga door de Geliefde Leider benoemd tot minister van Gevangenismijnen. Sun-moon is daarom een onbereikbaar ideaal waar Jun-do alleen maar van kan dromen.

Als op een dag een van de bemanningsleden in een reddingssloep ervandoor gaat, heeft dat mogelijk verregaande consequenties voor de rest van de opvarenden. Het is dus zaak een goed verhaal te bedenken, een volkomen andere draai aan de werkelijkheid te geven, want, zo zegt dr. Song, een van de hogeren in de Noord-Koreaanse hiërarchie: ‘Waar wij vandaan komen zijn verhalen een feit. Als er een boer door de staat wordt uitgeroepen tot muzikaal virtuoos, doet iedereen er verstandig aan om de man maestro te gaan noemen. En zelf kan hij maar beter in het geheim op de piano gaan oefenen. Voor ons is het verhaal belangrijker dan de persoon. Als een man en zijn verhaal met elkaar in conflict zijn, is het de man die moet veranderen.’

Het verhaal van de vissers wordt dat de verdwenen jongeman overboord is geslagen, maar dat Jun-do een manmoedige poging heeft gedaan hem te redden. Helaas is hij bij die reddingspoging door haaien aangevallen. Om het verhaal geloofwaardig te maken, heeft hij op de boot een gevangen haai tot op het bot in zijn arm laten bijten. In het hardhandige verhoor dat op het vasteland volgt om de waarheid van Jun-do’s verhaal vast te stellen, komt zijn pijntraining goed van pas en wordt zijn versie van het gebeurde als officiële waarheid vastgesteld.

Het nieuwe verhaal heeft verregaande consequenties voor Jun-do. Hij mag mee op een diplomatieke missie naar Amerika. Uiteraard worden de feiten van dat bezoek omgezet in een bedacht verhaal waarin de Amerikanen als vijandige, onbeleefde gastheren worden afgeschilderd. Een verhaal dat de Amerikanen per ongeluk zelf na het zien en napluizen van de betekenis van zijn tatoeage aan Jun-do toekennen, is dat hij in feite commandant Ga is. Deze op het oog onschuldige vergissing heeft tot gevolg dat Jun-do eenmaal terug in Noord-Korea daadwerkelijk de plek van de minister gaat innemen.

Het deel van de roman dat volgt, verhaalt van het verdere verloop van de gebeurtenissen, maar nu gezien vanuit verschillende perspectieven en met sprongen in de tijd. Het is in dit deel dat Jun-do’s liefde voor Sun-moon op de voorgrond treedt, maar flink wordt getest. Een andere kijk op de gebeurtenissen geven de hoofdstukken verteld vanuit het perspectief van een van de ondervragers in een strafkamp. De Geliefde Leider loopt door alle hoofdstukken heen, waarbij hij de nodige staaltjes van zijn grilligheid ten beste geeft.

De kijk die Gestolen leven in het Noord-Koreaanse leven biedt, toont een bizarre werkelijkheid in een land dat geregeerd wordt door een meedogenloos gruwelijk en gruwelijk meedogenloos, pervers bewind. Het geeft voorbeelden daarvan die je als fantasie zou willen afdoen, maar waarvan je weet dat het een genadeloze realiteit beschrijft.
De Geliefde Leider - die op zijn eerste rondje over de golfbaan tien keer een hole in one sloeg, boven wiens hoofd duiven zich groeperen om hem van schaduw te voorzien, voor wie de garnalen vrijwillig in de vissersnetten springen en die niet schroomt zich bij grote projecten te laten zien om belangrijke aanwijzingen te geven - weet zich omringd door trouwe vazallen die hun eigen bevoorrechte bestaan veilig stellen door een systeem in stand te houden dat het grootste deel van het eigen volk onderdrukt en uithongert, dat niet terugschrikt voor marteling en ondertussen de verheven staat van hun Leider laat bewieroken. In deze lamgeslagen maatschappij is Jun-do een symbool van hoop, op weergaloze wijze gecreëerd door Adam Johnson. Waar de werkelijkheid de verbeelding tart, tart hij met zijn vermogen tot verbeelding de werkelijkheid van een corrupte, wrede maatschappij. Hij slaagt erin dat te doen door zijn hoofdpersonen tot echte mensen te laten uitgroeien, die ten koste van alles aan zuivere idealen weten vast te houden.

Rien Broere

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Eenzamen

Håkan Nesser, De eenzamen
Vertaald door Ydelet Westra
Oorspronkelijke titel:  De ensamma
Uitgeverij De Geus, Breda 2013
533 pagina’s
ISBN 978 90 445 2303 4
€ 19,95 (e-book € 15,99)

Het gegeven in dit nieuwe, vierde deel van de Barbarotti-reeks is intrigerend. Midden jaren 70 komt Maria Winckler, lid van een groep van zes vrienden, tijdens een uitstapje in een bos om het leven door een val in een afgrond. De vraag die de politie zich toen al stelde was of zij gevallen, gesprongen of geduwd is. Een eenduidig antwoord wordt nooit gevonden en de zaak wordt gesloten. Vijfendertig jaar later, echter, vindt opnieuw een lid van het gezelschap op dezelfde plek en op dezelfde manier de dood. Ook nu is de vraag wat er is voorgevallen, al is er een aantal vreemde feiten dat wijst op een misdrijf. Het is aan inspecteur Barbarotti en zijn collega Eva Backman dit merkwaardige, raadselachtige voorval te ontrafelen. Wat volgt zijn meer dan 500 pagina’s waarin Nesser alle facetten van zijn vakmanschap laat zien.

Het is 1969 als Rickard in Uppsala Tomas leert kennen. Ze zijn er allebei om hun dienstplicht te vervullen en zullen daarna aan de plaatselijke universiteit gaan studeren. In het kielzog van Tomas leert Rickard ook diens aantrekkelijke vriendin  Gunilla, zijn zus Maria en haar vriend Germund kennen. Het is een gezelschap uiteenlopende karakters. De ernstige aard van Rickard contrasteert met de avontuurlijke geest van Tomas. Maria is een excentriek geval dat geborgenheid zoekt en vindt bij de sombere Germund. Op een dag staat Rickard naar een demonstratie te kijken, als Anna letterlijk in zijn armen valt. Ook zij krijgen een relatie, waarmee de vriendenclub in de vorm van drie stelletjes zijn evenwicht vindt.

Ze beleven het studentenleven in de aard van hun karakters, maar samen vormen ze een hechte groep. Op een dag komt Tomas met het plan een bus te kopen om daarmee studentenreizen naar onder andere de Oostbloklanden te organiseren. Volgens zijn optimistische berekeningen moet het hun een aardige zakcent opleveren. Om te weten wat ze als reizen gaan verkopen, maken ze die zomer zelf een trip langs de verschillende landen aan de andere kant van het ijzeren gordijn. Ze maken kennis met de treurige Oost-Europese steden waarin de mislukking van het communisme zich spiegelt. Al met al geen reis om echt vrolijk van te worden, maar echt dramatisch wordt het pas als ze eenmaal in Timisoara, een stad in Roemenië, aankomen. De sfeer in de bus was die hele middag al slecht geweest, ze zijn vermoeid van de reis en raken ook nog de weg kwijt. Tomas besluit de bus te keren en rijdt een omheind stuk grond op. Daar vindt een catastrofale ontmoeting plaats, die het verdere leven van de zes zal tekenen. In zekere zin betekent het ook het einde van de vriendschap.

Als ze in 1975 nog een keer samenkomen – ze zijn inmiddels als koppels hun eigen wegen ingeslagen – besluiten ze de volgende dag in het bos paddenstoelen te gaan zoeken. Het is tijdens dat uitje dat Maria haar noodlottige val maakt. Vijfendertig jaar later blijkt de omgekomen man Germund te zijn. Het ligt voor de hand dat Barbarotti in zijn onderzoek zich eerst en vooral richt op de overgebleven vier leden van de vriendenclub. Hij maakt maar weinig vorderingen, omdat ze allen even verrast lijken door de dood van Germund, zoals ze dat ook waren toen Maria stierf. Bovendien houden ze alle vier stellig vol dat er nooit iets bijzonders is voorgevallen wat tot moord of zelfmoord zou kunnen leiden. Het is door Barbarotti’s inzicht in de menselijke geest dat hij de geringe signalen weet te duiden en uiteindelijk een opening in de zaak weet te vinden.

Het ontraadselen van de oorzaak van de dood van Germund is maar één lijn in De eenzamen. Het grootste deel is gereserveerd voor de vrienden, die verschillende perspectieven leveren van waaruit de loop van de geschiedenis wordt geschetst. Nesser toont zijn vermogen zijn personages psychologische diepgang te geven. Vóór inspecteur Barbarotti uit volgen wij lezers de ontwikkeling van de vriendschap van de zes, hun toekomstplannen, dromen en verwachtingen en de traumatische ervaring die op verschillende manieren het lot van ieder van hen bepaalt. Toch gunt Nesser zijn inspecteur het laatste woord als Barbarotti een verrassende - maar naar blijkt geldige - conclusie trekt en in een afsluitende confrontatie voor opheldering zorgt.
Wie het boek heeft uitgelezen, ziet een helder licht geworpen op de gebeurtenissen die zich in zes mensenlevens hebben afgespeeld. Even klip en klaar is Nessers vakmanschap. Door de geraffineerde constructie, zijn vlotte stijl en de diepgang die hij zijn protagonisten weet te geven, tilt hij zijn roman boven het doorsnee spannende verhaal uit.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Headhunters

Jo Nesbø, Headhunters
Vertaald door Annelies de Vroom
Oorspronkelijke titel:  Hodejegerne
Uitgeverij Cargo, Amsterdam 2010 (midprice editie 2013)
272 pagina’s
ISBN 978 90 234 7907 9
€ 12,50 (e-versie € 9,99)

Wanneer is er sprake van de perfecte misdaad? Als iemand een moord pleegt en hij wordt voor zijn daad nooit opgepakt en veroordeeld, is de slechterik goed weggekomen maar zou je dat kunnen afdoen als geluk. Van een perfecte moord is in feite pas sprake als de dader alles en iedereen ervan heeft kunnen overtuigen dat hij het misdrijf nooit kan hebben begaan en dat hij wordt geloofd. De perfecte misdaad heeft een geloofwaardig verhaal nodig.

In Headhunters vertelt Roger Brown zijn verhaal. Hij is een uiterst succesvol headhunter, maar om zijn prachtige echtgenote Diana aan zich te binden – hoe kan zo’n geweldige vrouw blijvend genoegen nemen met iemand als hijzelf, vraagt Roger zich af – leeft hij boven zijn stand. Hij heeft er zelfs voor gezorgd dat ze een galerie heeft, ook al is het vooral een verlieslijdend speeltje. Zijn inkomsten als man die talenten voor bedrijven werft, moet hij dan ook op een ander manier aanvullen.

Als vanzelf komen zijn gesprekken met mogelijke kandidaten op hun liefde voor kunst. Niet zelden hebben de gegadigden al een topfunctie met bijpassend salaris en dito leefstijl. Echte kunst aan de muur mag in zo’n leven niet ontbreken. Op het moment dat het laatste gesprek plaatsvindt – iets wat Roger door een medewerker laat afhandelen – verdwijnt uit het huis van de sollicitant het kostbare schilderij waarover hij nog maar zo kort geleden heeft verteld. Dat de diefstal niet of niet meteen wordt opgemerkt, komt omdat de gestolen waar door een perfecte kopie is vervangen. Bij zijn schilderijenroof werkt Roger samen met een zekere Ove Kjikerud, die de gestolen waar bij een heler verzilvert.

De aldus verkregen neveninkomsten zijn echter maar net voldoende om de levenstandaard die Roger en Diana genieten te blijven bekostigen. Wat een buitenkans is het daarom dat hij op een vernissage in Diana’s galerie toevallig de Nederlander Clas Greve tegen het lijf loopt. De man is niet alleen perfect geschikt voor een baan waar Roger de beste kandidaat voor zal leveren, hij is ook nog eens in het bezit van een echte, in de oorlog zoekgeraakte Rubens. Als Roger dat schilderij weet te verwisselen, is zijn kostje gekocht.

Aanvankelijk loopt alles volgens plan. Onderdeel van dat vaste plan is dat Kjikerud uit Rogers garage het gestolen doek meeneemt. De ochtend na de inbraak bij Greve blijkt er iets drastisch misgegaan. Kjikerud ligt voor dood in Rogers auto. Het is het begin van een reeks verwikkelingen waarin Roger dieper en dieper dreigt weg te zakken. Zo ontdekt hij dat het helemaal niet zo toevallig was dat hij Greve in Diana’s galerie tegen het lijf is gelopen. Zijn vrouw heeft een verhouding met de Nederlander en die is vast van plan korte metten met Roger te maken.

Wat het voor Roger beangstigend maakt, is dat hij onmogelijk aan Greve lijkt te kunnen ontsnappen. Op een of andere manier is die er voortdurend van op de hoogte waar hij zich bevindt. Een plek waar Roger zich in figuurlijke zin bevindt, is ‘diep in de shit’. In een wanhopige poging aan Greve te ontkomen, wordt dat ook in letterlijke zin zijn plek.
Ondertussen zijn er links en rechts al wat doden gevallen. Het is door sluw handelen van Roger dat hij weet te voorkomen dat Greve hem tot het volgende slachtoffer kan maken. Dat hij daarbij in handen van de politie valt, lijkt maar heel even een probleem omdat ze hem voor een ander aanzien.

Nesbø geeft het verhaal veel vaart en zorgt met zijn humor voor momenten van ontspanning, wat weer tot gevolg heeft dat de serieuze fragmenten steeds spannender worden. In een toenemende reeks van verwikkelingen die Roger onontkoombaar verder in het nauw lijken te drijven, weet de auteur steeds een plausibele draai aan de gebeurtenissen te geven met als kroon op het geheel de ingenieuze ontknoping. Zo blijft Headhunters tot de laatste pagina verrassend.
In het begin van het boek zegt Roger over zichzelf dat hij op zijn vakgebied de koning is op de berg. Dat moet van Nesbø worden gezegd als het om zijn plaats in de misdaadliteratuur gaat.
Het boek dateert van 2008 (de vertaling verscheen in 2010) en is inmiddels verfilmd. Met deze goedkope heruitgave biedt Cargo een nieuwe kans - een must voor alle liefhebbers van het genre – aan iedereen die het boek tot dusver heeft gemist.

Rien Broere

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Een duister vermoeden

Elizabeth George, Een duister vermoeden
Vertaald door Fanneke Cnossen
Oorspronkelijke titel:  Believing the Lie
Uitgeverij Bruna, Utrecht 2012
590 pagina’s
ISBN 978 94 005 0104 1
€ 22,50 (e-versie € 17,99)

In het vorige boek met de aristocraat Thomas Lynley, inspecteur bij Scotland Yard, in de hoofdrol deed Isabella Ardy haar intrede als zijn directe chef. In die roman – Het lichaam van de dood – ontwikkelde zich het begin van een meer dan collegiale relatie tussen hen beiden en in Een duister vermoeden zet die ontwikkeling zich nog even door. Op hetzelfde moment laat ze de werkrelatie tussen de twee weer los, door Lynley op pad te sturen voor een opdracht ver buiten Londen. Een missie die – ook voor Ardy – geheim moet blijven. Het geeft de schrijfster de gelegenheid Lynley’s tegenpool en grote kameraad binnen de dienst, Barbara Havers, weer wat prominenter naar voren te schuiven.

Het opmerkelijke van Een duister vermoeden is dat Elizabeth George het klassieke patroon van de misdaadroman min of meer loslaat. Er is een dode gevallen, dat wel uiteraard, maar alles wijst erop dat hij door een ongeluk om het leven is gekomen. Lynley krijgt echter het dringende verzoek van Sir Bernard Fairclough, een man met invloed en vrienden in de hoogste kringen, de dood van zijn neef nader te onderzoeken om zo te achterhalen of het hier al dan niet om een moord gaat die mogelijk door zijn zoon Nick gepleegd is. Dit onderzoek moet omzichtig en deskundig worden uitgevoerd, wat het ten tonele verschijnen van het oude getrouwe vriendenechtpaar Deborah en Simon St James rechtvaardigt.

Het bekende groepje doet zijn werk. Simon bestudeert de omstandigheden waaronder de jongeman is gestorven. Deborah richt zich op de vrouw van de Nick, in wie zij een zielsverwante ziet als het gaat om beider kinderwens. Havers struint de grillige wegen van het internet af en doet een opzienbarende ontdekking. En Lynley is de verbindende factor die de juiste vragen stelt, opdrachten geeft en conclusies trekt.

Een van die conclusies is dat er binnen de familie Fairclough veel is wat geheim moet blijven voor de buitenwereld. Het is dan ook verre van alleen maar voorspoed en geluk dat de familie ten deel is gevallen. Dat geldt in sterke mate voor het verslavingsverleden van Nick, waar hij zich aan heeft weten te ontworstelen. De al dan niet verongelukte neef heeft zijn huwelijk opgebroken om met een andere man samen te gaan leven. Zijn ex neemt in haar verbittering zover afstand van haar leven met hem dat ze zelfs niets meer met hun kinderen te maken wil hebben. Van de dochters Fairclough, een tweeling, werpt de een zich op als hoedster van de kinderen van de om het leven gekomen neef en blijkt de ander een grote manipulator.

Genoeg vuile was om binnen te laten drogen, ware het niet dat een journalist van een roddelblad ter ore is gekomen dat Scotland Yard zich over de zaak heeft gebogen. In zijn ijver zich met een onthulling van formaat binnen de gelederen van het blad op de voorgrond te plaatsen, gaat hij zich actief met de kwestie bemoeien.

George heeft ervoor gekozen veel van de personages hun eigen perspectief in het geheel te geven. Zo ontstaat een veelheid van invalshoeken, gevolgtrekkingen, duistere vermoedens en acties die zijn ingegeven door tegenstrijdige, persoonlijke belangen. Gevolg is wel dat zoveel lijnen elkaar kruisen dat hierdoor een verhaal in de breedte is ontstaan. Daar komen de bij George onvermijdelijke natuurbeschrijvingen nog bij, wat maakt dat allemaal wat meer pagina’s heeft opgeleverd dan nodig. De kwaliteiten waarover George beschikt om haar protagonisten psychologische diepgang te geven houden het verhaal echter moeiteloos overeind.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------



Pier en oceaan

Oek de Jong, Pier en oceaan
Uitgeverij Atlas/Contact, Amsterdam 2013
804 pagina’s
ISBN 978 90 254 4093 0
€ 29,95

Op het nachtkastje van Dina Roorda-Houttuijn lag – zolang haar zoon Abel zich dat kon herinneren – een gekaft boek met foto’s van plaatsen in de Provence waarin de opdracht stond: ‘Voor mijn lieve Dina – altijd droef en toch blijde’. Het was een geschenk van Elena, de vrouw met wie Dina haar eerste indringende seksuele ervaring had. Ze ontmoette haar begin jaren vijftig in Zandvoort, in een tehuis voor kinderen  waar ze werkte. Ze heeft Elena nooit kunnen vergeten. Hoe zwaar moet het haar gevallen zijn dat deze vrouw zelfmoord gepleegd heeft, vermoedelijk vanwege haar of vanwege de burgerlijke intolerantie die toen in Nederland hoogtij vierde.

Deze herinnering van Abel Roorda aan zijn moeder laat zien hoe goed hij keek. In Pier en oceaan van Oek de Jong is er volop sprake van zulke gedetailleerde, openhartige herinneringen en reconstructies. Zo verhuisde het gezin al snel naar Zeeland omdat Dina niet kon aarden in Friesland. Toen ze haar man met een pijpenrekje naar de verhuiswagen zag lopen, maakte ze een karikatuur van hem: ‘zo kinderlijk, zo onnatuurlijk, zo onnozel’.

In deze roman wisselt het perspectief voortdurend van Abel naar zijn ouders en soms naar andere personages binnen de vijf delen, binnen de hoofdstukken en soms zelfs tussen twee alinea’s. Op deze manier krijgen de personages ruimschoots de kans goede bekenden te worden. Lieuwe Roorda, de vader van Abel, blijkt dan niet alleen de eenzelvige, houten klaas te zijn waarvoor Dina hem hield, maar ook de man die eindeloos geduldig de nukken van zijn vrouw verdroeg. Abel was niet alleen de weerbarstige somberaar die vanuit het niets mensen met zijn drift belaagde maar ook de twijfelende dromer die meisjes liefdevol en met respect tegemoet trad. Indrukwekkend is de scene waarin opa Roorda enerzijds wordt weggezet als een stugge Friese, gereformeerde mopperpot, anderzijds als de vertegenwoordiger van de trotse vooroorlogse generatie ambachtslieden die haar vakmanschap na WOII nooit meer te gelde heeft kunnen maken.

Het zijn 800 pagina’s wonderschoon proza geworden waarin Abel groeit naar de volwassenheid. Het is coming of age – ontwikkeling mag ook – in de jaren vijftig en zestig op het platteland van Friesland en vooral Zeeland, waar het rumoer van de wereld weliswaar gehoord maar met gemak genegeerd kon worden. De tijd stond er gelukkig nog stil, zeker in de ogen van een kind dat zich toelegde op polsstok springen over sloten, de eerste zwemlessen doorstond en het verlangen naar de zee ontdekte. Het is met name deze jongen die ergert en ontwapent, die naar het leven getekend is en hoogstwaarschijnlijk – want voorzichtigheid blijft geboden – gemodelleerd is naar het leven van De Jong zelf.   

Abels plotselinge sombere buien, zijn bijzondere invallen en zijn grote liefde voor de zee leveren indrukwekkende scenes op, zoals de tocht die hij, net klaar op de middelbare school, met een jongen ‘keurig opgevoed aan een van de Goese singels’, een zoon van een veearts en twee hem onbekende meisjes naar de Roggeplaat maakte. Ze brachten er bij laagwater de nacht door. Abel bedreef met een van de meisjes de liefde, maar toen hij onverhoeds – ook voor zichzelf – de vrijpartij afbrak, was het schip ‘te klein voor zijn woede en schaamte’. Hij klom over de reling, liep in de maanloze nacht weg van de sloep en verdwaalde. De schrik sloeg hem om het hart toen hij bij het opkomende water de weg naar het schip niet zonder meer terug kon vinden. Dat is nog eens een spannend verhaal van eigen bodem.                

Ook Dina verdient het standbeeld van de echtgenote die vele malen beter af geweest zou zijn als ze de keuze had gehad te scheiden of – beter nog – helemaal niet te trouwen. Maar ja, de jaren vijftig he, en Dina’s gereformeerde opvoeding, haar nerveuze aard, haar voorhuwelijkse zwangerschap, de vernedering om hierover schuld te moeten bekennen ten overstaan van een dominee en zijn ouderlingen: de schuldgevoelens over al deze zaken zijn haar niet in haar koude kleren gaan zitten. In die van Abel ook niet overigens, maar die hield van haar en bestreed zijn vader. En Oedipous keek toe.

Alles wordt beschreven in eenvoudige bewoordingen en heldere zinnen. Er staat geen woord te veel, voor zover dat al te beoordelen is. De vele dialogen zijn vanzelfsprekend en echt, zoals de woorden die Abels vriend Marinus zijn in Indie getraumatiseerde vader toevoegde: ‘Je hebt toch koelies afgeranseld?’. Dat vroeg om een reactie en die kwam er ook. Een enkele keer druppelt het Zeeuwse dialect in de gesprekken. Vaak klinkt een sarcastisch gesar door in de praatjes tussen de Zeeuwse pubers-van-niveau. Zo kreeg klasgenote Antona Duvekot (Duvekotje) na haar pianospel op een voorspeelavond van Abel te horen dat ze mooi gespeeld had, maar ‘je moet alleen nog wat werken aan je toon’. Heerlijk, hoe hij hier zijn ruiten in gooide bij het mooiste meisje van de klas.  

De Jong had met deze roman alle prijzen van 2012 verdiend, inclusief de Libris literatuurprijs.

Maarten van Boxtel    

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Fluitspeler

Ron Rash, De fluitspeler
Vertaald door Anneke Bok en Nan Lenders
Oorspronkelijke titel:  The Cove
Uitgeverij De Geus, Breda 2013
283 pagina’s
ISBN 978 90 445 2615 8
€ 19,95 (e-book € 15,99)

 

In mijn bespreking van het eerder bij De Geus verschenen boek van Ron Rash, Serena, vermeldde ik dat de hoofdpersonen in dat boek moeten zien te overleven in een ruwe en gewelddadige werkelijkheid, waarin voor vals sentiment geen plaats is. In zijn nieuwste roman De fluitspeler is dat al net zo. In een dal waar de zon nooit schijnt, geïsoleerd van de rest van de wereld leeft Laurel samen met haar broer Hank in het huis waarin zij beiden zijn opgegroeid. Het is geen beschaafde wereld waarvan zij afgezonderd leven, want op het vasteland van Europa vecht men de Eerste Wereldoorlog uit.

De bewoners van het dichtstbij gelegen dorp moeten niets hebben van Laurel. Niet alleen vanwege de onherbergzame plek waar ze haar dagen slijt, maar vooral omdat ze ervan overtuigd zijn dat ze vervloekt is. Als zichtbaar teken van die vervloeking heeft zij een wijnvlek. Het maakt haar kansloos op de relatiemarkt. Broere Hank is van plan binnen afzienbare tijd te trouwen. Het is maar de vraag de komst van een schoonzus voor Laurel een kleine opening in haar isolement zal betekenen.

Hank heeft in Frankrijk gevochten, en is als oorlogsinvalide – hij raakte zijn arm kwijt – naar het ouderlijk huis teruggekeerd. Hun moeder was al overleden voor hij vertrok, en tijdens zijn afwezigheid is ook hun vader gestorven. Een tijdlang bleef Laurel alleen in het dal achter. Aan deze moeilijke tijd kwam een eind toen Hank terugkeerde, en ondanks zijn handicap in staat bleek de voorkomende klussen in en om het huis op te knappen. De enige persoon van buiten waar ook Laurel contact mee heeft, is de oude Slidell. Hij trekt zich niets van de zogenaamde vervloeking aan en helpt waar nodig is.

Op een dag hoort Laurel de prachtige klanken van een fluit, voortgebracht door een onverzorgde vreemdeling in sjofele kleren. Een paar dagen bespiedt ze hem, zich afvragend waar hij vandaan komt en wat hij in het dal te zoeken heeft. Op een dag ligt de man doodziek op de plek waar hij anders op zijn fluit speelt. Hij heeft door eenentwintig wespensteken over zijn hele lichaam zoveel gif binnen gekregen dat het een wonder is dat hij het overleeft. Laurel neemt de vreemdeling mee naar haar huis om hem te verzorgen.

Walter, heet de man. Dat staat in elk geval op het briefje dat Laurel in zijn zak vindt. Het briefje vermeldt ook nog dat hij door een aandoening niet meer kan praten, en op weg is naar New York. Als hij weer is opgeknapt, weten Laurel en Hank hem over te halen te blijven en te helpen bij het opknappen van de omgeving van het huis. Laurel merkt al snel dat ze meer in Walter ziet dan een hulp. Ze realiseert zich dat ze het fijn zou vinden haar verdere leven met hem te delen, daar op die donkere plek. Langzaam begint ze te beseffen dat hij voor haar degene is die aan de eenzaamheid van haar bestaan een eind kan maken. De vragen die ze over hem heeft dringt ze naar de achtergrond. Haar wacht het geluk dat ze vreesde nooit te zullen kennen.

Was er in het vorige boek van Rash sprake van een meedogenloze vrouw als hoofdpersoon, Laurel lijkt in alles haar tegenpool. En zoals Rash haar gestalte geeft, wíl je ook dat geluk haar deel wordt. Maar de lezer is gewaarschuwd. Al in de proloog werpt de auteur een donkere schaduw vooruit. En al ziet het er voor Laurel lange tijd rooskleurig uit, er komt onherroepelijk een moment dat Walter zijn geheim moet prijsgeven, met alle catastrofale gevolgen van dien.

De fluitspeler is een prachtig, intrigerend boek. De verstilling, de sombere leegte  van de plek waar Laurel huist, wordt voelbaar in de beschrijvingen. In contrast met dat verlaten landschap is er de veelheid aan gevoelens waar ze het hoofd aan moet bieden. Het is een verhaal over de strijd tegen eenzaamheid, het koesteren van hoop en de onmogelijkheid een ander volledig te kennen. Het streven naar geluk is een gevecht en vraagt soms een hoge prijs.

Rien Broere

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Algehele geschiedenis van het denken

André Klukhuhn, De algehele geschiedenis van het denken
Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2013
1272 pagina’s
ISBN 978 90 351 3958 9
€ 49,95

Nietsche, schrijft Klukhuhn in de proloog van De algehele geschiedenis van het denken, heeft al eens opgemerkt dat iedere auteur eigenlijk maar één boek schrijft: al het andere bestaat slechts uit ‘vingeroefeningen, voorberichten, voorafgaande pogingen, toelichtingen en aanhangsels’. Even verderop citeert hij Gerrit Krol, die over het herschrijven van een boek (wat hij zei ‘nu eenmaal graag te doen’) opmerkt: ‘als je het ruig aanpakt, en je herschrijft hele passages, moet je dan het nieuwe boek dezelfde titel geven of een andere?’

Klukhuhn komt met een omweg op een tussenoplossing uit. In 2003 publiceerde hij De geschiedenis van het denken – dat al een optelsom was van eerdere publicaties -, in 2008 gevolgd door Alle mensen heten Janus, een uitgebreide en verbeterde editie van De geschiedenis van het denken, om alles  – ik wilde zeggen ‘dunnetjes over te doen’, maar ja, bijna 1300 pagina’s… - af te ronden met een ‘uitgebreide en definitieve editie’ en de titel van zijn boek uit 2003 uit te breiden tot De algehele geschiedenis van het denken.

Klukhuhn werkte als chemicus en natuurkundige en ontwikkelde zich tot filosoof. Hij moet het grootste deel van zijn volwassen leven lezend hebben doorgebracht, gezien de indrukwekkende hoeveelheid beweringen, veronderstellingen, ideeën en theorieën van andere grote denkers, wetenschappers en kunstenaars die hij op relevante plekken in citaten bij elkaar brengt in De algehele geschiedenis. Daarmee is het boek iets anders geworden dan een ‘droog’ overzicht van stromingen, al helemaal doordat hij zich niet tot één discipline beperkt, maar filosofie, wetenschap, kunst en godsdienst met elkaar verbindt. Daar komt nog bij dat Klukhuhn erin slaagt het zo op te schrijven dat de zaken helder blijven.

Natuurlijk maakt Klukhuhn voortdurend keuzes als hij zijn betoog met citaten illustreert. En natuurlijk heeft hij zo zijn voorkeuren. Zo haalt hij van de filosofen graag Plato, Kant, Schopenhauer en Nietsche aan, zijn de schrijvers Goethe en Musil goed vertegenwoordigd en kan hij uiteraard niet om Newton en Einstein heen. Gerechtvaardigde keuzes, die Klukhuhns streven een beeld te schetsen van het zoeken naar antwoorden dat mensen door alle eeuwen heen heeft beziggehouden een stevig fundament geven. Het fraaie is dat Klukhuhn daarbij regelmatig onverwachte verbanden legt tussen wetenschap, kunst, filosofie en religie, en zo de rechtlijnigheid die de afzonderlijke disciplines soms kenmerkt, omzeilt.

De inhoud en de omvang van De algehele geschiedenis maken het niet tot een boek dat je tijdens een vrij weekendje leest. Eenmaal gelezen, is het wel een werk dat het verdient om bij de hand te houden en het in voorkomende gevallen als een naslagwerk te gebruiken. Wie bijvoorbeeld de theorieën over ruimte en tijd in een cultureel-historisch overzicht samengevat wil zien, kan in De algehele geschiedenis terecht en vindt er meteen informatie over  de wiskundige invulling ervan, alsmede een hoofdstuk over ruimte en tijd in de kunst. Maar ook wie bijvoorbeeld meer wil weten over serendipiteit (simpel gezegd: je zoekt het een en vindt het ander) kan daarvoor bij een uitgebreid hoofdstuk in Klukhuhns boek terecht.

Klukhuhn haalt Newtons uitspraak aan: ‘Als ik verder heb gezien dan anderen dan komt dat doordat ik op de schouders van reuzen heb gestaan.’ Dit zou ook voor hem kunnen gelden. De grote verdienste van Klukhuhn is echter dat hij niet alleen de reuzen weet te vinden, maar ze ook nog bij elkaar weet te brengen.
Met De algehele geschiedenis zou zijn levenswerk zijn volbracht. De vraag lijkt gerechtvaardigd of dat zo is. De 72-jarige Klukhuhn zal ongetwijfeld nog veel meer lezen en de kans blijft bestaan dat hij daardoor  tot nieuwe inzichten komt en nieuwe, verrassende verbanden weet te leggen. Laten we hopen dat hij die met ons blijft delen. Dat hoeft dan niet in een compleet nieuwe, vuistdikke uitgave, een appendix is ook prima.

Rien Broere

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Lichaam van de dood

Elizabeth George, Lichaam van de dood
Vertaald door Fanneke Cnossen
Oorspronkelijke titel:  This Body of Death
Uitgeverij Bruna, Utrecht 2010 (midprice editie 2013)
624 pagina’s
ISBN 978 94 005 0243 7
€ 12,50

Elisabeth George schrijft al jaren boeken met Thomas Lynley, aristocraat, werkzaam bij Scotland Yard en goed voor de opheldering van talloze misdrijven, in de hoofdrol. Nadat zijn vrouw is doodgeschoten, keerde hij de dienst de rug toe. Zijn tegenpool en kameraad bij Scotland Yard, Barbara Havers, moet het voortaan zonder hem stellen.
Daarmee leek een prachtig complementair duo voor de lezer verloren, maar in Lichaam van de dood blijkt die vrees ongegrond, zij het dat Lynley’s rol zich aanvankelijk wat meer aan de zijlijn afspeelt.

Scotland Yard benoemt Isabella Ardery als nieuwe, tijdelijke hoofdinspecteur. Ze treft het niet, want ze krijgt meteen een lastige zaak voor haar kiezen. Ze snapt al snel dat het haar niet gemakkelijk zal vallen de hechte groep rechercheurs die ze onder haar supervisie heeft van haar kwaliteiten te overtuigen, en al helemaal niet om dat bij de hoofdcommissaris voor elkaar te krijgen. Ze is echter zo slim Lynley te vragen haar te assisteren - een verzoek waar hij op ingaat.

Op een begraafplaats in Londen is de jonge Jemima Hastings vermoord gevonden. Ze is op een gruwelijke wijze gekeeld met een voorwerp dat, zo blijkt na het nodige speurwerk, wel eens een rietdekkerswerktuig zou kunnen zijn. Dat brengt het onderzoeksteam in het landelijke New Forest, waar het leven in een ander tempo en met andere tradities verloopt. Centraal in het onderzoek binnen die landelijke gemeenschap staat Gordon Jossie, rietdekker met een raadselachtig en grotendeels onbekend verleden. Hij woonde samen met de vermoorde vrouw, die hem en haar beschermde plattelandsleventje op een dag spoorslags heeft verlaten en naar Londen is vertrokken.

De mensen om Jossie heen hebben echter ook zo hun geheimen, en dat geldt ook voor een deel van de medebewoners van het Londense pension waar Jemima domicilie vond. Het zijn veel mogelijke sporen, die het onderzoek niet eenvoudiger maken. Daar komen de strubbelingen die Ardery binnen haar team heeft nog eens bij. Gelukkig voor de waarnemend hoofdinspecteur krijgt ze Lynley aan haar zijde en staat hij haar met raad en daad bij.

Naast alle perikelen rond het oplossen van de moord heeft George nog een draad door haar verhaal geweven: het objectief gestelde verslag van een tien jaar daarvoor gepleegde moord op een tweejarige peuter door drie jongens van een jaar of tien. Het is een directe verwijzing naar de waargebeurde moord op de peuter James Bulger, februari 1993. Uiteraard krijgt dit verslag ook zijn plaats in het geheel, waarbij het antwoord geeft op vragen over de gevolgen van zo’n misdrijf voor de jonge daders.

De kracht van Lichaam van de dood zit voor een groot deel in de manier waarop de onderlinge verhoudingen gestalte krijgen. Hoe contrasterend ook, het zijn figuren van vlees en bloed, en niets menselijks is hun vreemd. Het levert een reeks verhaallijnen op die het tot een rijk boek maken. George schrijft het allemaal in een soepele stijl op en weet je als lezer met haar verhaal in haar ban te krijgen, wat er voor zorgt dat je het boek maar moeilijk terzijde kunt leggen.Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Hypnose

Lars Kepler, Hypnose
Vertaald door Tineke Jorissen-Wedzinga
Oorspronkelijke titel:  Hypnotisören
Uitgeverij Cargo, Amsterdam 2010 (midprice editie 2012)
560 pagina’s
ISBN 978 90 234 7745 7
€ 12,50
e-versie € 7,95

Uitgeverij Cargo brengt regelmatig boeken van succesvolle auteurs in een midprice editie uit. De nieuwste Kepler getiteld Slaap is in menige top tien terug te vinden. Voor wie Hypnose- het thrillerdebuut van het schrijversechtpaar Ahndoril dat onder het pseudoniem Lars Kepler publiceert - nog niet las, is er met de heruitgave van dit boek een goedkope mogelijkheid dat alsnog te doen. Bang teleurgesteld te worden, hoeven lezers niet te zijn, want ook deze Kepler met commissaris Joona Linna in de hoofdrol is in alle opzichten de moeite waard.

In het ziekenhuis is een vijftienjarige jongen opgenomen. Hij is zwaargewond en de enige overlevende van een slachtpartij waarbij zijn ouders en zijn zusje het leven lieten. Van de oudste dochter van het gezin weet niemand waar ze zich ophoudt en voor haar leven wordt gevreesd. Commissaris Joona besluit de hulp in te roepen van Erik Maria Bark, specialist als het gaat om de behandeling van traumapatiënten. Joona wil graag dat Bark de jongen onder hypnose terugbrengt naar de fatale gebeurtenis om zodoende enige beschrijving van de dader te krijgen.

Bark heeft echter hypnose als therapie afgezworen. Dat heeft hij besloten als gevolg van een mislukt experiment waarbij hij een groep patiënten samen onder hypnose bracht. Het leidde tot een grote rel die in de landelijke pers breed werd uitgemeten. Uiteindelijk stemt Bark toch toe. Als uitlekt dat hij opnieuw tot hypnotiseren is overgegaan, wordt hij opnieuw door de pers aan de schandpaal genageld. De reden van Barks besluit zich niet meer met hypnose in te laten, wordt in een substantieel fragment in het boek uit de doeken gedaan. Het is natuurlijk niet verwonderlijk dat wat er toen is voorgevallen ook zijn effect heeft op de recente gebeurtenissen.

Het zit Bark ook niet mee. Zijn zoontje Benjamin is ernstig ziek en zijn leven is afhankelijk van medicatie. Zijn vrouw verdenkt hem ten onrechte van overspel en hun huwelijk dreigt te stranden – iets waar Bark overigens nauwelijks tegen vecht. Als de arts zijn oude belofte breekt, wordt zijn zoontje ontvoerd. Het heeft er alle schijn van dat het breken van die belofte daarmee te maken heeft. Omdat Benjamin zijn medicijnen nodig heeft, wordt de zoektocht naar de jongen een race tegen de klok. In die hectiek is commissaris Joona Linna een prettig rustpunt.

Kepler neemt ons stapje voor stapje mee in een donkere wereld waarin zelfs kinderen niet voor gruwelijkheden terugdeinzen. De vorm die Kepler heeft gevonden om te beschrijven wat er tijdens een hypnosesessie gebeurt, is in feite ook op de ontwikkeling van het verhaal van toepassing. Langzaam dompelt Kepler je onder in een aanvankelijk niet altijd even heldere realiteit, maar waar uiteindelijk de vage contouren meer en meer vorm krijgen en duidelijke beelden opleveren.
Dat geldt evenzeer voor de personages die Kepler opvoert. Gaandeweg leren we ze kennen en krijgen ze voldoende achtergrond mee om hun doen en denken inleefbaar te maken.
Al deze helderheid betekent niet dat de afloop van het verhaal daarmee voor de hand liggend of voorspelbaar is. Er zijn genoeg plotwendingen om het tot het eind toe spannend te houden en tot een ontknoping vol actie te leiden.

Rien Broere

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Bij Starbucks heet ik Amy

Els Quaegebeur, Bij Starbucks heet ik Amy
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2013
240 pagina’s
ISBN 978 90 388 9658 8
€ 17,50
e-versie € 13,99

Els Quaegebeur is journalist en columnist en schrijft in die hoedanigheid onder andere voor Het Parool en Vrij Nederland. Ze had al eens een tijdje in Amerika gewoond, maar is een aantal jaren geleden voor langere tijd naar New York verhuisd. Voor haar geen green card-perikelen omdat ze in Texas is geboren en daardoor recht heeft op een Amerikaans paspoort. Ze trekt in bij haar geliefde Len in de hippe wijk Tribeca. In Bij Starbucks heet ik Amy doet ze in 63 korte stukken verslag van haar belevenissen in de stad, die samen een vrolijk en gevarieerd beeld schetsen van de eigenzinnige en bijzondere gemeenschap die de bewoners van The Big Apple nu eenmaal vormen. Het zijn losse stukjes, waar ze een heel dunne rode draad doorheen heeft geweven in de vorm van haar worsteling met de hobbels die ze in haar relatie moet overwinnen.

Quaegebeur heeft de stukjes in acht hoofdstukken onderverdeeld. Dat brengt er, meer dan samenhang, ordening in aan. Dat het geheel een fragmentarisch beeld van de stad en haar bewoners geeft, is niet erg. De manier waarop de auteur haar observaties verwoordt, maken het lezen van het  boek tot een waar genoegen. Heel slim heeft ze de gesprekken die ze weergeeft niet vertaald. Daardoor krijgen de dialogen een zekere mate van authenticiteit en blijft de humor waarmee ze doorspekt zijn bewaard. Het meest sprekende voorbeeld hiervan is wel de spraakverwarring die zich bij Starbucks voordoet als het personeel haar naam vraagt, zodat ze haar kunnen roepen als haar koffie klaar is.

Quaegebeur denkt, schrijft ze zelf, veel na over de vraag of het belangrijk is ergens bij te horen, maar concludeert meteen dat ze het ‘niemandsland in haar hoofd’ wel rustgevend vindt. Voor de lezer is het alleen maar plezierig dat ze een buitenstaander blijft, want daardoor weet ze de stad en haar bewoners en hun gebruiken en eigenaardigheden op een humoristische en relativerende manier te portretteren. En er zitten aparte gevallen tussen, tussen de miljoenen New Yorkers. De ‘Bread Nazi’ bijvoorbeeld, een chagrijnige Japanse eigenaar van een broodjeszaak die je bij de minste aarzeling bij je bestelling afblaft en als je iets wilt wat niet op de kaart staat ‘snijdt hij je hoofd eraf met een botte cirkelzaag’. Of dokter Zhang, een Chinese kruidendokter die niet doet aan privacy voor zijn patiënten en aan een aandachtige blik in een potje urine genoeg heeft om een diagnose te kunnen stellen.

En dan zijn er de welgestelde Amerikanen die van gekkigheid niet meer weten wat ze nu weer eens zullen aanschaffen. Het echtpaar Lynch, bijvoorbeeld, dat een enorm aquarium heeft geïnstalleerd dat ze met een druk op de knop van de afstandsbediening diverse sfeervolle kleuren kunnen laten aannemen. Manlief – ‘een lange man met een slappe kin, gehoorzame scheiding en biggetjesroze gelaatskleur; ideaal model voor een talkpoederreclame’ – demonstreert het op bevel van zijn vrouw maar al te graag.

Quaegebeur heeft zich in New York geen moment verveeld, en dat doe je als lezer ook niet. In haar kielzog ga je langs een reeks van bijzondere New Yorkers. Of ze nu zwerver, kunstenaar, restauranteigenaar of Russische onthaarder zijn, Quaegebeur bekijkt ze met de nodige ironie en relativering, maar schetst ze met liefde. Liefde voor een stad die gedeeld wordt door de meesten die er geweest zijn en uitnodigend is voor de degenen die een bezoek eraan overwegen.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Verdiende loon

Belinda Bauer, Verdiende loon
Vertaald door Valerie Janssen
Oorspronkelijke titel:  Finders Keepers
Uitgeverij Bruna, Utrecht 2013
304 pagina’s
ISBN 978 90 229 9955 4
€ 19,95
e-versie € 15,99

Voor haar debuut als misdaadauteur, Rusteloos land, ontving Bauer de Gold Dagger Award. Het boek speelt zich af in het Engelse dorpje Shipcott. De oom van de twaalfjarige  Steven Lamb is als kind vermoord en waarschijnlijk op de hei begraven. Steven heeft zich ten doel gesteld de resten van zijn oom op te diepen en daarmee de harmonie in het gebroken gezin waarin hij opgroeit te herstellen. Het brengt de jongen in contact met een verontrustend gewetenloze moordenaar.

Boek uit, rust teruggekeerd in het kleine dorp, zou je denken. Maar nee. In haar volgende roman Opgesloten keert Bauer terug naar het plaatsje. Dit keer posteert zij Jonas Holly, de lokale politieagent in het middelpunt. Holly heeft een weinig enerverende taak binnen de kleine gemeenschap, tot het moment dat er een bejaarde wordt vermoord. En het blijft niet bij dat ene oudje. De moordenaar helpt er uiteindelijk een stuk of acht om zeep. De jacht op de moordenaar heeft ook voor Holly’s priveleven de nodige impact.

Hoeveel pech kan een dorpje hebben als het gaat om rondwarende seriemoordenaars? Heel veel, lijkt Bauer te denken, want in haar nieuwste boek Verdiende loon keert ze nog maar eens terug naar Shipcott. De ellende voor de dorpelingen blijkt nog groter te kunnen. Je zou misschien verwachten dat de eerdere gebeurtenissen, beschreven in Bauers eerste twee misdaadromans, enkele getraumatiseerde bewoners heeft doen besluiten de biezen te pakken, maar niets daarvan. Sterker nog, goed een jaar later raken zowel Steven Lamb als Jonas Holly weer volop bij een nieuwe reeks onverkwikkelijke gebeurtenissen betrokken.

In mijn oordeel over Verdiende loon wil ik onderscheid maken tussen twee delen van het boek. In het eerste deel slaagt Bauer er opnieuw in de spanning langzaam op te bouwen. Een jongen die in de auto op zijn ouders zat te wachten, blijkt te zijn ‘vervangen’ (de formulering is van de auteur) door een memoblaadje met daarop de tekst ‘jullie houden niet van hem’. Het is het begin van een reeks verdwijningen, kinderen die volgens de ontvoerder te lijden hebben onder een gebrek aan ouderliefde – iets wat de dader bij elke nieuwe ontvoering met zo’n briefje kenbaar maakt.

Naast de spanning die de auteur aan de ontwikkeling van de gebeurtenissen weet mee te geven, verdiept ze haar verhaal door de tijd te nemen om de verschillende hoofdpersonen een menselijk gezicht te geven en de onderlinge verhoudingen tussen hen in te kleuren. Inspecteur Reynolds -  ook al betrokken geweest bij de speurtocht naar de vorige misdadiger, zij het niet al te succesvol – buigt zich opnieuw over de zaak, maar maakt zich ondertussen behoorlijk zorgen over de kwaliteit van zijn haartransplantatie. Jonas Holly zit eigenlijk thuis om bij te komen van de verschrikkelijke voorvallen in zijn priveleven waarbij hij zijn vrouw heeft verloren, maar raakt tegen wil en dank bij de zaak betrokken. En de jonge Steven Lamb worstelt met zijn verliefdheid op een dorpsgenote en zijn verdenkingen ten aanzien van agent Holly. Tot ook hij wordt gekidnapt.

De intensieve zoekacties naar de ontvoerder leveren geen enkel bruikbaar aanknopingspunt op. Maar dan verschuift het perspectief en komen we terecht bij de dader. Wat hij zijn slachtoffers aandoet past meer in een horrorscenario dan de plot van een misdaadroman. Hoewel je zou kunnen zeggen dat het feit dat Bauer dit heeft bedacht, betekent dat het zou kunnen voorkomen, is het al met al niet alleen ongeloofwaardig, maar ook tamelijk bespottelijk. Er ligt goedbeschouwd geen enkele noodzaak of logica aan zijn handelen ten grondslag. Dat is jammer, want het leidt de aandacht af van Bauers kwaliteit inleefbare personages te creeren, waar je je als lezer mee kunt identificeren.
Er volgt ongetwijfeld een volgende misdaadroman van Belinda Bauer. Het is te hopen dat ze daarvoor het geplaagde Shipcott verlaat, nieuwe personages het licht laat zien en kiest voor een verhaallijn die plausibel is.

Rien Broere

 

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Leve het been!

Max van Rooy, Leve het been (snijtijd 90 minuten)
Uitgeverij Prometheus, Amsterdam
239 pagina’s
ISBN 978 90 446 2112 9
€ 14,95

In een snijtijd van 90 minuten is het gedaan met het rechterbeen van journalist en schrijver Max van Rooy (Voorburg, 1942). Er was geen andere oplossing voor de woekerende bottumor in zijn bovenbeen. Wat volgt, is een leven na het been dat begint op de Amsterdamse ziekenhuiskamer met uitzicht op de Haarlemse St Bavokerk en de kerktorentjes van Abcoude. Tien dagen later ziet hij zichzelf in de spiegel van een lift als een incompleet mens het ziekenhuis verlaten, op weg naar het revalidatiecentrum aan de Overtoom. Intussen heeft het spookbeen hem duidelijk gemaakt dat het zich nog wel een tijdlang met verontwaardigde pijnscheuten zal blijven roeren.   

In korte hoofdstukken kijkt Van Rooij terug op de voorbije tien jaar. Zijn vrouw Hedwig leed aan de ziekte van Alzheimer, moest opgenomen worden in een tehuis voor jong-dementerenden. De weg naar het verzorgingshuis is lang en pijnlijk. Kees Verweij, oudoom van de schrijver, schilderde haar toen ze nog niet leed aan Alzheimer, hoewel ze er dicht tegenaan zat. Hij had haar ‘ontluikende onbereikbaarheid’ al wel gezien, en ook geschilderd: ‘Op de twee portretten is haar blik van binnenuit op onscherp gesteld, tot brekens toe’.  Het waren zijn laatste atelierportretten.

Adembenemend is het fragment waarin Van Rooij vertelt hoe hij Hedwig na een glas wijn en een slaappil de trappen van zijn huis opdroeg. Halverwege moest hij op adem komen. Het deed hem denken aan de lijdende Christus in de armen van de troostende Maria. Hij voelde zich nooit zo eenzaam.

Hij neemt haar liefdevol en geduldig mee op zijn tochten naar onder meer Italië om materiaal te verzamelen voor de biografie van de architect Berlage, zijn grootvader. Minutieus beschrijft hij hoe hij na zo’n reis ’s nachts op het Centraal Station in Amsterdam met geweld wordt overvallen, terwijl de nietsvermoedende Hedwig alleen richting huis stiefelt. Uiteindelijk vindt hij haar daar, beschaafd rechtop zittend op de vensterbank, in haar mooie suèdejasje, zonder sleutel, met haar starende blik waarvan hij wist dat die ‘vol barsten zat’. Dat is mooie, spannende literatuur.

In de tijd dat Hedwig erg ziek was, ontmoette Van Rooij zijn 26 jaar jongere vrouw Anita tijdens een opnamedag voor een kunstprogramma over gevangenisarchitectuur. Het wordt zijn nieuwe, grote liefde. Hij kan nauwelijks geloven dat dit hem overkomt. Het levert hem ook schuldgevoelens op. Samen met hun twee zoons wonen ze in het mooie huis aan het Rusland, een straat in het centrum van Amsterdam. Als hij hier na de operatie terugkomt, beklimt hij moeizaam de trappen naar zijn werkkamer helemaal bovenin. Dit huis, waar hij 30 jaar gewoond heeft, zal hij moeten verkopen, maar niet aan de eerste de beste. Ook hieraan zitten mooie, beeldende herinneringen vast.   

Leve het been is een indrukwekkend relaas, een verhaal over persoonlijke drama’s die je zomaar kunnen treffen en een warm geluk dat je – ook zomaar – in de schoot geworpen kunt krijgen. Van Rooij bewaart een beschermende, soms ironische distantie tot de drama’s, schrijft bewonderend over Hedwig, Anita, Amsterdam en zijn Ruslandhuis. Als hij een half jaar na de operatie met zijn vrouw, een vriendin en hun beide zoons naar de Algarve gaat, beziet hij met het oog van de buitenstaander dit ‘intrigerend groepje mooie, gelukkige mensen, onder wie een man in een rolstoel’. Zij dragen in alles bij aan het ‘groots gevoel van onkwetsbaarheid’ dat hem op dat moment overvalt.

Al met al is er maar weinig  wat hem dan nog ‘werkelijk treurig’ maakt, behalve de gedachte dat hij niet meer kan verdwalen in een of andere stad. En dat is voor deze voormalige adjunct-hoofdredacteur, kunst- en cultuurredacteur en architectuurcriticus van NRC Handelsblad een groot verlies.   

Maarten van Boxtel

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Slaap

Lars Kepler, Slaap
Vertaald door Jasper Popma en Clementine Luijten
Oorspronkelijke titel:  Sandmannen
Uitgeverij Cargo, Amsterdam 2013
464 pagina’s
ISBN 978 90 234 7935 2
€ 19,90
e-versie € 14,95

Als het om het opbouwen van spanning gaat hoef je het echtpaar Ahndoril, dat schrijft onder de naam Lars Kepler, niets meer te leren. Al vanaf het eerste hoofdstuk is het raak, wanneer de jonge arts Anders Rönn als nieuweling op de gesloten forensisch psychiatrische afdeling oog in oog komt te staan met de al dertien jaar opgesloten Walter Jurek. Deze Jurek geldt ondanks zijn gevorderde leeftijd nog altijd als levensgevaarlijk.

Jurek is mede door toedoen van commissaris Joona Linna, vaste kracht in de boeken van Kepler, achter de tralies terechtgekomen. Seriemoordenaar Jurek had het in die jaren steeds op gezinnen en families voorzien. Op het moment dat hij werd opgesloten waren niet alle vermissingen die aan hem konden worden toegeschreven opgelost. Zijn dreigement dat ook Joona´s gezin niet aan zijn wraak zou ontkomen, wordt door de politiefunctionaris zo serieus genomen dat hij een ongeluk van zijn vrouw en zoons in scène zet en hen zo voorgoed laat verdwijnen.

Groot is ieders verbazing als dertien jaar later een verwarde jongeman opduikt, die beweert te zijn ontsnapt na al die tijd samen met zijn zus gevangen te zijn gehouden. Als zijn verhaal klopt, gaat het hier namelijk om Michael en Felicia, twee kinderen van een succesvol schrijver die door Jureks toedoen indertijd zijn verdwenen en nooit zijn teruggevonden. Volgens Michael werden zij vastgehouden door de Zandman.

Joona is er altijd van overtuigd geweest dat Jurek zijn dodelijke werk samen met een handlanger verrichtte. Omdat Jurek zelf nog altijd veilig zit opgesloten, lijkt met Michaels getuigenis dit idee te worden bewaarheid. De lichamelijke conditie van Michael – hij lijdt aan de veteranenziekte – doet het ergste vrezen voor zijn zus. Als ze er niet snel achter weten te komen waar ze gevangen gehouden wordt, is ze ten dode opgeschreven.

Er is maar één man die hen op het spoor kan zetten dat leidt naar de plek waar Felicia opgesloten zit en dat is Jurek. Hem daarover simpelweg ondervragen is geen optie. Niet alleen zal hij nooit zomaar bekennen of openheid van zaken geven, hij is eenvoudig te gevaarlijk om bij in de buurt te komen. Mensen die hem dicht genaderd zijn, raken zodanig door hem geïntimideerd dat ze verward en angstig worden. Ze krijgen zijn dreigementen, ze krijgen hém niet meer uit hun hoofd.

Toch vindt de politie in eigen kring uiteindelijk iemand die zich bereid verklaart met alle risico’s van dien de confrontatie aan te gaan. Saga Bauer is een inspecteur bij de veiligheidsdienst. In twee andere, grote zaken heeft ze al eens met Joona samengewerkt. Saga is jong, mooi, bokser op topniveau, scherpschutter en heeft een speciale opleiding in geavanceerde verhoortechnieken gevolgd. Zij zal als medegevangene in Jureks afdeling worden vastgezet.

Vanaf dat moment ontwikkelt het verhaal zich op verschillende fronten. Terwijl Saga er bij Jurek achter probeert te komen waar Felicia gevangen gehouden wordt, zit Joona met zijn team niet stil en proberen ze uit de schaarse aanwijzingen die Michael hen weet te geven de verblijfplaats van het meisje af te leiden. Alle geïntroduceerde figuren raken steeds dieper bij de zoektocht naar de Zandman betrokken.

Wat bijzonder goed werkt is de opbouw van het verhaal in 184 korte hoofdstukken. Met elk fragment neemt ook voor de lezer de spanning toe. Niet alleen beschrijft Kepler de gebeurtenissen die voor verdere ontwikkeling van het verhaal zorgen, als lezer krijg je gaandeweg een inkijkje in het wezen van de personages. Jurek blijft tot het eind toe beangstigend, Saga Bauer blijkt met al haar kwaliteiten een kwetsbare vrouw van vlees en bloed, en Joona’s angst is zo invoelbaar dat je hem begrijpt als hij een professionele grens overschrijdt. Hierdoor is Slaap meer dan een rechtlijnig vertelde, spannende vertelling. Het is het intrigerende verhaal van een psychische krachtmeting die verder gaat dan een eenduidige morele strijd tussen goed en kwaad.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Niets te verliezen

Urban Waite, Niets te verliezen
Vertaald door Joost van der Meer en William Oostendorp
Oorspronkelijke titel:  The Carrion Birds
Uitgeverij A.W. Bruna, Utrecht 2013
288 pagina’s
ISBN 978 90 229 9749 9
€ 15,- (tot 12 juni, daarna € 18,95)
e-versie € 14,99

Kun je nog iets verliezen als je het gevoel hebt alles in je leven al te zijn kwijtgeraakt? Voor Ray Lamar, een van de hoofdpersonen in Niets te verliezen, gaat dat zeker op. Tien jaar geleden heeft hij zijn vrouw verloren, is hij zijn werk op de olievelden van zijn vader kwijtgeraakt en heeft hij de zorg voor zijn doofstomme zoontje aan een ander overgelaten. Als huurmoordenaar van maffiabaas Memo is hij terechtgekomen in een wereld waarin drugkartels met geweld hun territorium trachten vast te houden of uit te breiden.

De kracht van Ray zit ‘m in het feit dat hij onder moeilijke omstandigheden het hoofd koel houdt en kalm afrekent met iedereen die zijn baas dwarszit. Maar Ray wil met dit leven kappen. Nog één simpel klusje zal hij voor Memo opknappen, en dan is het wat hem betreft voorgoed afgelopen met moorden. Hij besluit zijn pistool aan de wilgen te hangen en terug te keren naar Coronado in New Mexico om daar – als het even kan met of in de buurt van zijn inmiddels twaalf jaar oude zoon – een nieuw en geweldloos leven te beginnen.
Eén klusje hoeft hij nog maar op te knappen. En ach, wat heeft hij eigenlijk te verliezen?

Bij het opknappen van het karweitje wordt hij geholpen door een neef van de opdrachtgever. En daar gaat het mis. De zaak zou nog te redden zijn geweest als ze de twee man die ze moeten overvallen allebei hadden omgebracht. De neef echter schiet – haast letterlijk – tekort. Het is het begin van een niet meer in de hand te houden reeks gewelddaden, met Ray als middelpunt en uiteindelijk doelwit van alle wraakzuchtige partijen.

De politie raakt erbij betrokken en daarmee ook Ray’s neef Tom. Hij was sheriff, maar na de dood van zijn vrouw is hij zijn baan kwijtgeraakt. Hij is opgevolgd door Edna Kelly, die voor het eerst met zo’n omvangrijke zaak in haar gebied te maken krijgt. Buiten de regels om leunt ze op Toms steun. Wat ze niet weet, is dat Tom aanvankelijk besluit zijn neef Ray te helpen aan zijn belagers te ontsnappen. Het gevolg is een gecompliceerde situatie waarin de drie protagonisten om elkaar heen cirkelen zonder direct hun werkelijke bedoelingen duidelijk te maken.

Urban Waite bouwt zijn bloederige verhaal in een gedoseerd tempo op, waardoor de onontkoombaarheid van de gevolgen des te meer gewicht krijgt. Gevolgen die alle hoofdpersonen tot verliezers maken. In elk geval zal het leven voor hen nooit meer zijn zoals het was, hoe graag ze dat ook zouden willen. Het zijn hun eigen keuzes die daarvoor verantwoordelijk zijn, hoe moeilijk ze het ook hadden om die keuzes te maken.
Sheriff Edna moet kiezen tussen het naleven van de wet en haar loyaliteit ten opzichte van Tom, haar vroegere meerdere. Tom moet erkennen dat hij in zijn poging zijn neef te beschermen fouten heeft gemaakt. En Ray, ten slotte, ziet het laatste dat hij had – de hoop op een nieuw en rustiger leven – in rook opgaan.
Als lezer heb je ondertussen alle gelegenheid gehad je in de drijfveren, twijfel en angsten van de verschillende personages in te leven, om zo aan de hand van de auteur mee te worden gevoerd naar een even onvermijdelijk als onherroepelijke afloop.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


De bekentenis van Adria

Jaume Cabré, De bekentenis van Adrià
Vertaald door Pieter Lamberts en Joan Garrit
Oorspronkelijke titel:  Jo confesso
Uitgeverij Signatuur, Utrecht 2013
680 pagina’s
ISBN 978 90 5672 418 4
€ 25,-  (e-versie: € 15,99)

 

Goedbeschouwd is het ondoenlijk in een recensie van een paar honderd woorden recht te doen aan de 680 indrukwekkende pagina’s die Cabré nodig heeft om Adrià zijn bekentenis te laten doen. Daarvoor is de roman te veelomvattend, te rijk, intrigerend, intelligent en prettig onconventioneel.

(Veelomvattend, omdat Cabré erin slaagt in zijn verhaal vele eeuwen Europese geschiedenis te verwerken en daarin het vaak gewelddadige en immorele karakter van de heersende orde te laten zien. Daarbij speelt een bijzonder waardevolle viool uit de 18e eeuw een cruciale rol. Op een ingenieuze manier gaat de auteur met sprongen door de tijd en schetst vanaf de Middeleeuwen de geschiedenissen van personen die te maken hebben of uiteindelijk uitkomen bij het instrument. Het is een ‘Storioni’ die in het bezit is van Adrià’s vader, een antiquair die zijn kostbare voorwerpen in bezit heeft weten te krijgen door zich op geen enkele manier door moreel besef te laten hinderen. De manier waarop hij de viool in handen heeft gekregen vormt daarop geen uitzondering.

De bekentenis van Adrià is een rijk boek. Rijk aan personages, rijk aan verhalen, rijk aan beelden en ideeën. Hoofdpersoon is Adrià Ardèvol, enig kind van ouders die hun hoogbegaafde zoon opzadelen met verwachtingen die hij niet kan of wil waarmaken. Zijn vader wil dat hij zich veel talen eigen maakt en verschillende studies volgt. Zijn moeder wil dat hij zich tot een beroemd violist opwerkt. Adrià blijkt weliswaar een verdienstelijk musicus te zijn, maar hij moet op dat gebied zijn meerdere erkennen in zijn vriend Bernat. Adrià’s bestemming blijkt te liggen in de wetenschap, die van zijn vriend in de muziek.

De roman houdt je als lezer in zijn greep door de intrigerende manier waarop Adrià zijn bekentenis doet. ‘Ik zal mijn best doen niet te veel te verzinnen’, schrijft Adrià al op de eerste pagina. ‘Zoals ik het opschrijf was het, en nog erger.’
Ogenschijnlijk futiele gebeurtenissen, zoals het stiekem uitlenen van vaders Storioni aan vriend Bernat, blijken grote gevolgen te hebben. Schijnbaar achteloos strooit hij met verhalen die als puzzelstukjes in elkaar passen en gaandeweg een rijk geschakeerd totaalbeeld tonen. Bijzonder is de manier waarop verschillende verhalen uit totaal verschillende tijdperken niet alleen parallel aan elkaar blijken te lopen, maar tot één geheel worden vervlochten. Het lezen van De bekentenis van Adrià is soms als een wandeling in een tekening van Escher, bevreemdend maar fascinerend. Zo is er een fragment waarin je zowel het verhaal van Adrià, als een voorval tijdens het naziregime, als de praktijk van vervolgers ten tijde van de Spaanse inquisitie tot één geheel gevlochten voorgeschoteld krijgt.

De manier waarop het verhaal is opgebouwd, getuigt van intelligent schrijverschap. Cabré ontrolt zijn vertelling aan de hand van gemarkeerde historische tijdperken, maar wat hij daarin ter sprake brengt, zijn universele thema’s zoals de rol die ‘het kwaad’ speelt in menselijk handelen. Ook Adrià blijkt in dat opzicht niet van smetten vrij. In de relatie met zijn grote liefde Sara, een joodse vrouw, weigert hij haar tegemoet te komen als zij eist dat hij de viool teruggeeft aan degene van wie het instrument in de Tweede Wereldoorlog is afgenomen. Het leidt tot een onherstelbare breuk. De zuiverheid van de vriendschap tussen Adrià en Bernat komt uiteindelijk door een verschuiving in de morele opvatting van de laatste ook in een ander licht te staan.

Als Adrià zijn bekentenis aan het papier toevertrouwt, is die bestemd voor Sara. Op dat moment staat de hij echter op de drempel van dementie. Cabré benut dit gegeven om er stijlconventies mee te omzeilen. In één zin wisselt hij van de ik-vorm naar de derde persoon, lopen alinea’s van het ene tijdperk naadloos over in het andere. Een ingenieuze stilistische hink-stap-sprong die misschien even wennen is, maar je wel bij de les houdt.)

Zou je al die aspecten van het boek kort in een bespreking belichten, dan schiet je te kort als het gaat om het meeslepende karakter van Adrià’s verhaal. De lezer volgt hem op zijn levensweg en laveert langs geheimen die geleidelijk worden prijsgegeven, liefdesgeschiedenissen, moord en doodslag en onvoorwaardelijke vriendschap. Om dat tekortschieten enigszins te verbergen, blijft er maar één mogelijkheid over: het dringende advies deze imposante roman zelf te lezen.

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De vergelding

Jan Brokken, De vergelding. Een dorp in tijden van oorlog.
Uitgeverij Atlas Contact, 2013
382 pagina’s
ISBN 978-90-450-2271-0
€ 19,-

Op 10 oktober 1944 deed zich in het Zuid-Hollandse Rhoon (IJsselmonde) een incident voor dat tot op de dag van vandaag zijn sporen na heeft gelaten. Drie Duitsers en hun twee Nederlandse liefjes liepen ’s avonds over de Rijsdijk naar huis. Het was aardedonker. Een van de Duitsers raakte een loshangende hoogspanningskabel. Als vergeldingsmaatregel executeerde de bezetter zeven Rhoonse burgers.      

Belangrijke vraag is of de kabel door sabotage of toeval losgeraakt is. Voor beide mogelijkheden waren in de oorlog genoeg redenen te bedenken. Toeval trok zich nergens iets van aan, verzet was een zaak van wikken en wegen. Dat weten we inmiddels uit allerlei bronnen en je kunt je afvragen of een nieuw verhaal nodig is om dit opnieuw uit te leggen. Het antwoord is kennelijk bevestigend, want de belangstelling voor het boek De vergelding. Een dorp in tijden van oorlog van schrijverJan Brokken is groot en de reacties zijn zonder uitzondering positief.

Hier moet iets bijzonders aan de hand zijn en dat is ook zo. Het valt direct op hoe verrassend het drama en zijn implicaties voor Jan Brokken zelf zijn. Hij bracht zijn jeugd door in Rhoon, maar merkte er niet veel van. Pas nadat hij in 2004 via oud-verzetslieden vertrouwelijke rapporten inzag, ontdekte hij ‘een andere oorlog dan die waarover hem verteld was’. Hij reconstrueerde de gebeurtenissen waarbij hij bepaald niet over een nacht ijs gegaan is. Zijn vroegere buurjongen,  Bert G. Euser, deelde zijn jarenlange research met hem, zijn zoektocht in historische documenten, gesprekken met 185 ooggetuigen, met nabestaanden van slachtoffers en familieleden van direct betrokkenen. 

Met dit materiaal kon Brokken de feiten aftasten, zijn hypothesen formuleren. In zijn ogen was er zonder meer sprake van sabotage. Drie mannen komen voor de daad in aanmerking, onder wie een onverschrokken verzetsheld die het gevaarlijkste werk gedaan had maar zich niet altijd rekenschap gaf van de consequenties. Hij opereerde vaak alleen. Er moeten echter slagen om de arm gehouden worden, want  de schrijver beschikt ‘over geen enkel doorslaggevend bewijs’.

In Rhoon liepen wel dertig moffenhoeren rond. Een van de bekendste was Dirkje de Ruyter. Haar man deserteerde, vluchtte naar Engeland. Zij hadden drie kinderen, onder wie een zwaar gehandicapte zoon. Dirkje kreeg geen uitkering, probeerde aan werk te komen. Toen dat niet lukte, zocht ze contact met de Duitsers. Tegenover deze versie staat de uitspraak van haar buurjongen op Het Sluisje, de plek waar de gebeurtenissen zich afspeelden: ‘Dirkje kon niet zonder man. Ze moest een man over de vloer hebben.’ Ook het spoor van de omgekomen Duitser Ernst Friedrich Lange wordt gevolgd. Hij was 17 jaar, woonde in Jörnstorf in Mecklenburg-Vorpommern, oogde op foto’s als een verlegen jongeman. Gedegen onderzoek dwingt tot nuancering, bewijst dit boek.   

Volgens Brokken moet het in Rhoon onmogelijk geweest zijn om niet met Duitsers om te gaan. Je kwam ze overal tegen – bij de bakker, bij de dokter – en vaak waren ze vriendelijker dan de stugge Rhoonse boeren en tuinders. Hij stelt dat hij blij is niet in de schoenen van de directeur van de vlasfabriek gestaan te hebben. Hij leverde aan de Duitsers, maar hield daarmee naar eigen zeggen 60 gezinnen in leven hield. Diezelfde directeur nam het als enige op voor de mannen die op het punt stonden geëxecuteerd te worden. Hij mocht er toen direct bij gaan staan. Ook zocht Brokken nabestaanden van de geëxecuteerde burgers op, oude mensen inmiddels, zoals de negentigjarige Alie Marcelis-van Steggelen die haar man Dries verloor bij de executie.

Het is ook een moedige onderneming om de kleine, stilgehouden geschiedenis te achterhalen van het dorp waar je zelf vandaan komt. In NRC Handelsblad (15 maart 2013) zegt Brokken dat zijn vroegere overbuurman hem vroeg waarom hij met de moffen meepraatte. In Rhoon voelde men niet veel voor het oprakelen van de kwestie, hield men het liever bij het toevallig losraken van de hoogspanningskabel als gevolg van een storm, maar ja – tekenend voor de manier waarop de schrijver te werk gegaan is – het archief van het KNMI meldt op die dag zonnig weer en windkracht 3.

Voor de schrijver moet Rhoon in de zeven jaar die hij aan het boek gewerkt heeft van gedaante veranderd zijn, en  toch – onder verwijzing naar het motto van zijn autobiografie Mijn kleine waanzin – ‘ook al is hij alles vergeten, het dorp zal hij zich blijven herinneren’

Maarten van Boxtel

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De Laatste Man In De Toren

Aravind Adiga, De laatste man in de toren
Vertaald door Arjaan van Nimwegen
Oorspronkelijke titel:  Last Man in Tower
Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2011
448 pagina’s
ISBN 978 90 234 6579 9
€ 19,90

De laatste man in de toren is gesitueerd in de volkswijk Vakola  in de Indiase stad Mumbay – het vroegere Bombay. In deze wijk staan twee torens van de Vishram Corporatie: Toren A en Toren B. Het verhaal draait om de bewoners van de eerste toren, die ooit diende als toonbeeld van het nieuwe India in de jaren 60 van de vorige eeuw. Van de flat gaat vijftig jaar later weinig voorbeeldigs meer uit en is het maar de vraag of het gebouw een volgende moesson zal overleven. De bewoners vormen echter, ondanks de bouwval, het achterstallig onderhoud en de haperende watervoorziening, in al hun verscheidenheid een harmonieuze gemeenschap.

Die saamhorigheid wordt op de proef gesteld als projectontwikkelaar Darmen Shah zijn oog op de locatie laat vallen om er prestigieuze nieuwbouw te laten verrijzen. Hij stuurt zijn rechterhand Shanmugham naar de torens om de bewoners een riante vergoeding in het vooruitzicht te stellen als zij bereid zijn hun flats te verkopen. De meeste bewoners verwelkomen het bod als een geschenk uit de hemel, maar een viertal heeft zijn bedenkingen. Probleem voor Shah zowel als voor de overige bewoners is natuurlijk het feit dat de koop alleen kan doorgaan als iedereen ermee instemt.

De flatbewoners vormen een bont gezelschap, dat van de auteur alle ruimte krijgt. Hij geeft ons een kijkje in het leven van het oudere echtpaar Pinto, laat ons kennismaken met een maatschappelijk werkster die met haar zoon en dochter in de flat woont, bedeelt een belangrijke rol toe aan makelaar Ajwani en laat ons meezuchten met mevrouw Puri die heel wat te stellen heeft met haar achttienjarige zoon Ramesh, die lijdt aan het syndroom van Down. En dan is er nog Yogesh Murty, door iedereen Masterji genoemd, een gepensioneerd leraar die na het overlijden van zijn vrouw (zijn dochter is op jonge leeftijd verongelukt, zijn zoon woont niet meer thuis) eenzaam is achtergebleven. Gaan drie van de vier tegenstanders van verkoop na enige dreiging overstag, Masterji laat zich vooralsnog niet door het grote geld verleiden.

In 2008 kreeg Aravind Adiga de Man Booker Prize voor zijn debuutroman De witte tijger. Dat toekenning van zo’n prestigieuze prijs voor zijn verdere werk geen belemmering vormt, blijkt uit het fantastische De laatste man in de toren. Richtte Adiga zich in zijn eersteling op de wederwaardigheden van één persoon, dit keer kleurt hij het leven in Mumbay in met een reeks van personages die niet alleen een gemeenschap binnen de muren van hun toren vormen, maar gezien kunnen worden als een staalkaart van de middenklasse in het huidige India. Maar ook die begrenzing overstijgt dit rijke, bruisende boek door de diversiteit en de herkenbaarheid van de karakters. Hoewel de posities duidelijk zijn en de vraag of geld alles voor elkaar kan krijgen centraal staat, krijgen alle hoofdpersonen genoeg diepte om symbool te staan voor de mens in het algemeen. Niemand is alleen maar goed of alleen maar slecht. Het zijn juist hun twijfels en minder mooie kanten die de personages interessant en herkenbaar  maken.

Projectontwikkelaar Shah en Masterji strijden voor hun eigen gelijk, waarbij ze er allebei van overtuigd zijn dat dat gelijk borg staat voor het geluk van een veel grotere groep. Door die persoonlijke overtuiging lijken ze niet te zien dat ze anderen tot slachtoffers maken.
Als de strijd tussen beiden zijn hoogtepunt bereikt, lijkt het pleit in het voordeel van een van de twee beslecht. De vraag is echter of alles uiteindelijk niet alleen maar verliezers heeft opgeleverd.

 

Rien Broere

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Wolfskinderen

John Ajvide Lindqvist
Vertaald door Edith Sybesma
Oorspronkelijke titel:  Lilla Stjärna
Uitgeverij Signatuur, Utrecht 2013
494 pagina’s
ISBN 978-90-5672-431-3
€ 19,95

Wolfskinderen is een uitgave in de serie ‘Signatuur Noir’.Daaronder vallen, in de woorden van de uitgever, titels die zich geen literaire roman laten noemen omdat ze te huiveringwekkend zijn, maar ook geen thriller omdat ze te literair zijn. Eén ding is zeker, de personages leven niet happily ever after. Alleen al die laatste voorwaarde is reden genoeg om het boek van Lindqvist in de reeks op te nemen.

Lennart en Laila zijn een echtpaar dat ooit in de muziekwereld kleine successen behaalde, maar inmiddels in die scene op de achtergrond is geraakt. Echt harmonieus kun je hun relatie trouwens niet noemen. Als Lennart ontdekt dat Laila vreemd gaat met een lid van een concurrerende band wreekt hij zich door haar knie met een koevoet te bewerken. Hardlopen om slank te blijven (‘voor alle mannen die in de bosjes op haar zaten te wachten’) is er niet meer bij.

Op een dag gaan ze in het bos paddenstoelen zoeken. Lennart vindt er een pasgeboren baby, daar achtergelaten om te sterven. Ze nemen het meisje onder hun hoede, maar uit angst voor de autoriteiten brengen ze het kind onder in de kelder van hun huis.
Er blijkt iets bijzonders met het kind aan de hand. Het beschikt over unieke muzikale gaven. Muziek wordt dan ook de taal waarin het meisje wordt opgevoed. Ze brengen haar groot in afgezondering van de normale wereld. Alleen hun volwassen zoon Jerry, die het als crimineel ook niet weet te maken, ontdekt het bestaan van het kind. Hij geeft haar de naam Theres.

Theres is een bindende factor als het om de relatie van de twee echtelieden gaat. Er ontstaat zelfs zoiets als een harmonieuze sfeer waarin ze elkaar weer voorzichtig liefhebben.
Om Theres ervan te doordringen dat ze beter de woning niet kan verlaten, spiegelen ze haar een buitenwereld voor die vol zit met kwaadaardige volwassenen die haar, als ze de kans krijgen, zullen vernietigen.

Theres heeft haar eigen idioom, wat soms poëtische zinnen oplevert. In haar reacties op uitspraken van anderen, die ze – hoe kan ze anders – letterlijk neemt,  toont ze de slordigheid waarmee we ons vaak uitdrukken. Een onvoorzichtigheid die voor Lennart en Laila rampzalige gevolgen heeft. Zij zijn de eersten in een reeks personages voor wie ‘ze leefden nog lang en gelukkig’ niet opgaat. Zelfs ‘ze leefden nog lang’ zit er niet in.

Jerry neemt Theres als zijn zus onder zijn hoede. Hij maakt het meisje wegwijs op het internet, waar ze via een zogenaamd wolvenforum met anderen kennismaakt. Ze doet mee aan een soort Idols waar ze opvalt door haar stem, maar ook door de emotieloze manier waarop ze haar nummer presenteert. Een zekere Theresa, een van die anderen op het wolvenforum – het zijn allemaal jonge meisjes – raakt ook los van de werkelijkheid en vormt een hecht verbond met Theres. Ze vinden elkaar in de muziek: Theresa schrijft de teksten, Theres vertolkt.

Er sluiten zich nog meer meisjes via het forum bij hen aan en samen vormen ze een soort sekte. Hun groep omschrijven ze zelf als een roedel. Theres staat aan het hoofd ervan, de meisjes volgens haar blind in alles wat ze doet en voorstelt.
De beweging die ze in gang zetten, is al gauw niet meer te stoppen en kan alleen maar tot nog rampzaliger gevolgen leiden. Het slot is gruwelijk, maar in de lijn van de meedogenloosheid die de wolven steeds meer zijn gaan tonen. Gevolg is een catastrofale apotheose die live in het hele land op tv te volgen is.

Wolfskinderen is een intrigerend en verontrustend boek. De stijl van Lindqvist geeft het verhaal vaart en een haast terloopse vanzelfsprekendheid. Het is het tot in het extreme doorgetrokken beeld van jeugdigen die zich niet wensen te conformeren en zoeken naar een uitweg uit de regels en normen van de volwassen wereld. Het is de kracht van de auteur dat hij de duistere drijfveren van zijn personages een onontkoombaarheid weet te geven die geloofwaardig is.

Rien Broere

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Onder vrienden

Amos Oz, Onder vrienden
Vertaald door Hilde Pach 
Oorspronkelijke titel: Been Chaveriem
Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2012
208 pagina´s
ISBN 978-90-234-7346-6 
€ 19,90

De Israëlische schrijver Amos Oz – wereldwijd geprezen om zijn stijl en vertelkunst, en al heel lang voorvechter van een twee-statenoplossing voor het conflict met de Palestijnen – vergast ons met zijn nieuwe boek Onder vrienden weer op een reeks met veel empathie geschreven verhalen.
Het lezen van elk verhaal in de bundel is als het kijken naar een kunstschilder aan het werk. Met een paar lichte toetsen schetst hij een achtergrond, met zachte streken tekent hij de contouren van zijn personages, om ze dan op een haast terloopse manier tot in detail in te kleuren.

De verhalen in Onder vrienden haken in elkaar. Ze vertellen over een aantal bewoners van een kibboets in de jaren dat Ben Goerion premier van Israël is – de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw.
De kibboets was toen nog een ideologische plek gestoeld op socialistische principes. Alles is er van en voor de gemeenschap. Kinderen slapen in kinderhuizen. De maaltijden nuttigt men gezamenlijk. Vrouwen hebben dezelfde rechten en plichten als mannen, wat erop neerkomt dat ze flink lichamelijk werk moeten verzetten. Het kan haast niet anders, of binnen zo’n structuur komen mensen als individuen in conflict met zichzelf en hun omgeving.

Verwacht geen wereldschokkende gebeurtenissen, de verhalen spelen zich stuk voor stuk af op het niveau van het zeer persoonlijke. Kibboetsbewoners die zich gehinderd, gefrustreerd of op zijn minst geknot voelen door de strikte, knellende regels.
Schrijnend is het verhaal van de grappenmaker van de kibboets, die zijn vijfjarig zoontje Joeval in het kinderhuis ziet lijden onder de wreedheid en gewelddadigheid van enkele andere kinderen in het huis, maar in zijn eentje niet in staat is het tegen de collectieve gedachte op te nemen.

Een van de personages die met een zekere regelmaat opduikt is de tuinman. Hij krijgt de bijnaam ‘engel des doods’ omdat hij zijn medebewoners steevast slecht nieuws voorschotelt. Mededelingen over rampen elders in de wereld, die hem haast persoonlijk lijken aan te gaan. Lona, de vrouw met wie hij een bijzonder band heeft opgebouwd vraagt hem dan ook ‘waarom hij alle ellende van de wereld op zijn schouders neemt?’
Kom echter niet te dicht bij hem, want dan schrikt hij terug. Als de Lona haar hart voor hem voelt smelten en zijn hand wil pakken, reageert hij als door een slang gebeten. ‘Zijn hele leven lang had hij geen anderen aangeraakt en kreeg hij kippenvel als hij zelf werd aangeraakt.’ Het is dan ook meteen het einde van hun unieke verbond.

Oz heeft het kibboetsleven aan den lijve ondervonden. Daarover schreef hij in het indrukwekkende Een verhaal van liefde en duisternis.
In Onder vrienden ontstaat het beeld van de kibboets als een gesloten collectief, waarin elk individueel initiatief de kop wordt ingedrukt, of alleen dan kan worden gerealiseerd als de gemeenschap er haar goedkeuring aan geeft. Maar evengoed raken de persoonlijke, kleine verhalen aan de grote buitenwereld. Het is dan ook de engel des doods die zijn vriendin de wijsheid voorhoudt die hij tegenkomt in de roman die hij ’s nachts vertaalt: ‘Onze situatie hier in de wereld was belachelijk maar ontroerend.’
Oz maakt zijn karakters nergens belachelijk, integendeel. Maar ontroerend zijn ze zeker – en dat danken we volledig aan het meesterschap van de schrijver.

Rien Broere




Voor eerder dit seizoen besproken boeken, kijk in het archief.

Voor in het seizoen 2010 - 2011 besproken boeken, kijk in archief 2010 - 2011.

Voor in het seizoen 2009 - 2010 besproken boeken, kijk in archief 2009 - 2010.

Voor in het seizoen 2008-2009 besproken boeken, kijk in archief 2008-2009

Terug

T-Hdesign | Copyright Rien Broere All rights reserved. Home - Contact