De duimsprong

Miek Zwamborn, De duimsprong
Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2013
256 pagina’s
978 90 282 6091 7
€ 17,50

‘Geologie is het oog van de geschiedenis. Het landschap heeft alles gezien’, is een uitspraak van de 19e eeuwse Zwitserse geoloog Arthur Heim. Hij is een van de hoofdpersonages in de roman De duimsprong van Miek Zwamborn, een jonge Nederlandse schrijfster die eerder de romans Oploper (2001) en Vallend hout (2004) publiceerde, beide goed voor nominaties op de longlist van de Ako literatuurprijs.

Heims werk is vooral bekend van zijn zelf gemaakte, uiterst nauwkeurige maquettes van gebergten die de ik-vertelster, alter ego van de schrijfster, voor het eerst ziet in de kelder van de Bibliothek Erdwissenschaften in Zürich, de stad waar Heim woonde en werkte. In zijn voetsporen trekt ze dagen achtereen door onherbergzame streken in Zwitserland. Ze gaat niet alleen letterlijk zijn gangen na, ze verdiept zich ook in zijn leven, dat goed gedocumenteerd bewaard gebleven is in onder meer notitieboekjes en brieven aan zijn lief Maria Vögtlin of zijn broer Ernst.

Opvallend zijn de vele foto’s van Heim, zijn schetsen van bergen, afbeeldingen van stenen (‘Een zeldzame steen heeft een vinder nodig’, schrijft ze) en rotsen die ze tegenkomt. Op vrijwel iedere pagina is wel iets te zien, zij het niet per se als een plaatje bij een praatje, soms als een uitgestelde illustratie, maar altijd in samenhang met het verhaal. De vertelster kijkt goed, verrast met observaties van bijvoorbeeld de opvallende zool van Heims wandelschoen tussen de grote groep zittende studenten met hun schoenen, hamertjes, wandelstokken en hoeden tijdens een van zijn vele excursies: ‘ontroerend detail, intiemer nog dan een blote voet (…) dringt zichzelf aan de kijker op (….) een beetje ijdel ook, zo’n schone zool (…) Ik zie tegelijkertijd het profiel en de afdruk, de aankondiging en het overblijfsel van Heims aanwezigheid in het landschap.’
 
Het zijn bepaald geen ongevaarlijke wandelingen die zij in haar eentje door de Alpen maakt. Het landschap is wat het is en laat zich op een onverschillige manier gelden. Ze loopt over gletsjers, beklimt steile wanden, heeft het koud, slaapt in een  klein tentje op afgelegen plekken, schuilt voor onweer, bliksem, hagelbuien. Zwamborn heeft alles zelf gelopen, beschreef nagenoeg gelijktijdig haar indrukken. Niets heeft ze zelf verzonnen, waardoor het een doorleefd verhaal geworden is waarin werkelijkheid en fictie in elkaar overlopen, er ook niet toe doen.

De sleutelpassage in deze roman – want dat is het uiteindelijk wel – gaat over het moment dat ze zich realiseert dat haar tochten allemaal pogingen waren ‘om te ontsnappen aan de somberheid die in de Val Punteglias weer was toegeslagen. Ik weet nog dat ik me in de auto realiseerde dat de nabijheid van Heim het missen van Jens ophief. Ik verdoezelde de leegte, verloor me in een achtervolging om aan het allerergste voorbij te gaan’.

Jens (geen achternaam) is de man met wie ze jarenlang trektochten maakte door de Zwitserse bergen.  In het eerste hoofdstuk vertelt ze over hun laatste moeizame beklimming van de Tödi, een berg in de Glarner Alpen, waarna hij spoorloos verdwijnt. Wat rest zijn haar herinneringen aan wandelingen die ze met hem maakte. Ze neemt zich voor zijn gangen letterlijk na te gaan en die vallen dan langzaam maar zeker samen met de tochten van Arnold Heim.   

De duimsprong is een fascinerende leeservaring, waarbij je vergeefs zoekt naar houvast: de structuur heeft kenmerken van de klassieke reisverhalen, de plekken bepalen de verhalen die verteld worden. Tijdens de wandeltochten wordt de vertelster in eerste instantie gegidst door de verloren Jens, maar die maakt allengs plaats voor de avontuurlijke geest van Heim.   

Zwamborn schrijft in mooie zinnen die geïnspireerd zijn door de bijzondere landschappen, of minstens haar ervaring van de omgeving weerspiegelen. Deze roman is boven alles een bijna meditatief eerbetoon aan het kalmerende wandelen: ‘Lopen hielp tegen de haast onverdraaglijke leegte. Het maakte niet uit waar ik liep. (…) Ik was de som van alle plekken waar ik ooit kwam. Ik was de plek zelf, onherbergzaam en vliedend, iets in de verte. Ik ademde de grond. Ik schoof voortdurend op. Ik werd een wandelaar en wandeling en landschap ineen, een vluchtige schaduw. Ik probeerde te verdwijnen, ik wilde verdwijnen.’
 
Maarten van Boxtel

 

 

Terug

T-Hdesign | Copyright Rien Broere All rights reserved. Home - Contact