Sophie Zijlstra, Potifars vrouw
Uitgeverij Querido,  Amsterdam 2010
192 pagina´s
ISBN 978-90-214-3784-2
€ 16,95

Het is kwart voor negen ’s ochtends als Mendel Waterman in Assen in de trein stapt voor het laatste stukje van een lange en vermoeiende reis die hij heeft gemaakt vanuit Zürich. Hij laat zijn blik en gedachten gaan over enkele medepassagiers. Tegenover hem zit een aantrekkelijke jonge meid, naast hem een vrouw met breiwerk, achter hem een Molukse jongeman, die een zware tas neerzet. Mendel is 66 jaar, en nog onwetend van het feit dat dit wel eens zijn laatste reis zou kunnen zijn.

Die tas van de Molukker blijkt een geweer te bevatten. Vlak voor ze de provincie Groningen binnenrijden, wordt de trein gekaapt. Negen reizigers worden gegijzeld, waaronder Mendel en de jonge vrouw. Toch zijn het niet zozeer deze schokkende gebeurtenis en de gevolgen ervan waarover Zijlstra vertelt. De rit van Assen naar Groningen is niet de tocht die zij beschrijft. Waar het uiteindelijk over gaat is de reis van Mendels leven. Gelegen op de vloer van de trein, pogend de vrouw gerust te stellen, heeft hij alle gelegenheid daarover na te denken.

Mendel was restaurateur. Samen met de directeur van Boijmans en een zekere Groot reist hij veilingen af om schilderijen te kopen. Rembrandt is een van Mendels favorieten. Als kort voor de oorlog in Londen het schilderij ‘Jozef door Potifars vrouw beschuldigd’ te koop komt, gaan de drie gezamenlijk naar de Britse hoofdstad. Daar blijkt, voor Mendel op onverklaarbare gronden, Groot zich ronduit vijandig op te stellen. Al snel wordt duidelijk waarom. Mendel en Groot zijn concurrenten in de bieding. Mendel verwerft het schilderij, maar heeft zich daar wel diep voor in de schulden moeten steken.

Dan wordt het oorlog. Om in 1942 aan zijn lot te ontsnappen, moet Mendel zorgen op de lijst van Groot te komen. Wie daar op staat, zal worden gespaard. Het offer dat hij moet brengen voor de veiligheid van zijn gezin is groot. Mendel betaalt Groot met het schilderij van Rembrandt.

De Grootlijst blijkt waardeloos en diende alleen ter verrijking van Groot zelf. Mendels vrouw en kind worden naar Auschwitz gedeporteerd, zelf belandt hij in Theresiënstadt. Hij doorstaat de moeilijke jaren van de oorlog, om uiteindelijk na een lange zwerftocht door Zuid-Europa en de Sahara terug te keren in Rotterdam. Op dat moment bestaat de dood niet langer voor Mendel. Hij heeft het gevoel dat hij nooit zal sterven, zelfs niet als hij erom smeekt. Terug in Rotterdam koestert hij een diepe haat tegen Groot. Het zal nog decennia duren voor hij zijn wraakgevoelens in daden om kan zetten.

Dat Zijlstra voor haar verhaal kiest voor het al ontelbare malen eerder gebruikte decor van de Tweede Wereldoorlog hoeft niet als een bezwaar te worden gezien. Het blijft een onuitputtelijk bron waaruit zij put. Zijlstra roept vragen op over keuzes, toeval en het lot. Ook haar hoofdpersoon ontkomt niet aan de plicht ingrijpende keuzes te maken. De vraag waar hij zich uiteindelijk als praktiserend Jood voor gesteld ziet, is of Gods genade bij die keuzes een rol speelt, of dat alles berust op toeval.

Het zijn wezenlijke levensvragen die Zijlstra in Potifars vrouw aan de orde stelt. Zij doet dat in een heldere stijl en in een bijzondere setting. Op het moment dat Mendel zich in de gekaapte trein bevindt, is de mogelijkheid zelf beslissingen te nemen hem ontnomen. Je zou kunnen zeggen dat hij uiteindelijk door het lot wordt gegijzeld. Een heftig en boeiend gegeven dat door Zijlstra op een originele manier is uitgewerkt.

Rien Broere

 

Terug

T-Hdesign | Copyright Rien Broere All rights reserved. Home - Contact