Oscar van den Boogaard, Majesteit
Uitgeverij De Geus, Breda 2010
190 pagina´s
ISBN 978-90-445-1806-1
€ 17,90

Het is moeilijk, zo niet ondoenlijk, iemand die zich in het openbaar zo stijf en vormelijk gedraagt als onze koningin een menselijk gezicht te geven. Helemaal als je beseft dat ze in haar eigen sprookje is gaan geloven, en hoewel er geen enkele andere verdienste dan geboorte aan ten grondslag ligt zichzelf in haar rol serieus is gaan nemen. Hoe kan iemand er anders toe komen het normaal te vinden dat je haar niet ongevraagd en zomaar als eerste mag aanspreken?

Hoe lastig ook, Oscar van den Boogaard doet in zijn boek een poging menselijke trekken in haar vorstelijke harnas te plooien.  Meestal wordt een film gemaakt naar een boek, in dit geval is de omgekeerde weg gevolgd en heeft Van den Boogaard zijn roman geschreven op basis van het filmscenario voor de film Majesteit van Ger Beukenkamp.

Het verhaal speelt op de derde dinsdag in september 2003. Het wordt de eerste troonrede die Beatrix zal uitspreken na de dood van haar man Claus. Vanaf het moment dat ze wakker wordt tot aan de traditionele eerste zin in de ridderzaal: ‘Leden van de Staten-Generaal’ volgen we haar.

In flashbacks, mijmeringen en overpeinzingen passeert een aantal belangrijke momenten uit het leven van Beatrix de revue. Vooral voor haar relatie met Claus is er ruimte, maar ook confrontaties met Balkenende, de twijfels aan Willem-Alexanders capaciteiten voor het koningschap (in de roman vindt ze haar zoon een lapzwans) en de rol van haar vader Bernhard en moeder Juliana krijgen aandacht. Dit alles gelardeerd met menselijke momenten van twijfel en angst.

Hoe Van den Boogaard ook zijn best doet Beatrix als een vrouw van vlees en bloed af te schilderen, toch wringt het geheel. Bij fictieve romanpersonages wil je er wel in meegaan dat ze op een literaire manier met elkaar converseren, en gesprekjes hebben waar Plato vlotjes en voor de vuist weg in geciteerd wordt. Beatrix en Claus zijn echter geen verzonnen figuren. Uiteraard zijn zij ook(maar) gewone mensen – zij het een tikkeltje minder gewoon dan vele anderen. In het licht hiervan krijgen Beatrix’ bespiegelingen iets speculatiefs, zelfs iets gratuits.

Aan de ene kant wil Van den Boogaard het sprookje van het koningschap niet ontmythologiseren en geeft hij de majesteit verheven gedachten mee. Aan de andere kant moet ze als mens van vlees en bloed worden geportretteerd, iets wat de schrijver doet door  al in de tweede alinea te suggereren dat de koningin – met een hand op haar navel - alleen nog door haarzelf geliefkoosd wordt.
Juist in die alledaagse schildering wordt Beatrix een beetje potsierlijk (tegen Claus over haar ministers: ‘Ik zal ze een poepje laten ruiken’ – hoort u het haar zeggen, met dat geaffecteerde, bijna Duits klinkende randje om haar woorden?).

Van den Boogaard maakt van Beatrix een vrouw die streng oordeelt over haar volk, dat zijn slappe inborst heeft getoond door Jan Peter Balkenende te kiezen. Om die reden vindt ze dat je weinig aan het volk kan overlaten, daarmee voorbijgaand aan het feit dat er meer mensen níet op Balkenende hebben gestemd. Ze vindt haar volk maar een kinderachtig kluitje dat ‘tussen “ik vind het leuk” en “ik vind het stom” maar weinig nuances kende’.

Van den Bogaard laat Beatrix ook zien als een sociaal bewogen, intelligente vrouw, met menselijke twijfels, angsten en verlangens. Een dappere poging als je bedenk dat ze gevangen zit in haar lot, dat bepaalt dat de ware Beatrix, om wat voor reden dan ook, zoveel mogelijk voor ons verborgen moet blijven.

Rien Broere

 

Terug

T-Hdesign | Copyright Rien Broere All rights reserved. Home - Contact