Rik Smits, Dageraad
Nieuw Amsterdam, 2009
ISBN 978-90-468-0389-9
272 pagina’s
€ 17,95

In zijn boek Dageraad geeft Rik Smits een taalles waar je niet omheen kunt. Hij laat in een boeiende zoektocht zien hoe en wanneer ons taalvermogen ontstaan is.

Dat is geen eenvoudig karwei omdat het gaat om een gecompliceerd stelsel van hoogontwikkelde eigenschappen en vaardigheden dat in de loop van 2 à 3 miljoen jaar ontstaan is. Daarvoor moesten de hersenen eerst uitgroeien tot de ruim anderhalve kilo waarover wij beschikken zodat we tenminste de gelegenheid kregen om van alles te leren en te onthouden. Maar we moesten bijvoorbeeld ook handigheid krijgen in gericht gooien, rekenen en zingen voordat we konden leren praten en we hadden ook een ritmegevoel nodig.

Smits brengt al die vaardigheden als een geduldige leraar overtuigend en verrassend met elkaar in verband. Het gaat uitsluitend om biologische processen die reageren op de omstandigheden waarmee de mens steeds z’n kansen behield om te overleven. De geschiedenis van ons taalvermogen is een prachtillustratie van het gelijk van Darwin. Er ligt zeker geen planning of plan aan ten grondslag; de natuur rotzooit maar wat aan en soms met een verbazingwekkend mooi resultaat.

Smits brengt het begin van het taalvermogen in verband met de grottekeningen van het Franse Lascaux en het Spaanse Altamira die tussen de 35- en 10-duizend jaar geleden gemaakt zijn. In deze kunsthallen van toen ziet hij tussen alle bizons, stieren, mammoeten en neushoorns een dood jagersfiguurtje zonder gezicht en de duizenden handafdrukken die erop wijzen dat er iets van een menselijk zelfbewustzijn ontstond, iets van zelfbesef of van individualiteit en dat was nodig om de taalontwikkeling een duw in de goede richting te geven. 

Smits deinst er niet voor terug om op sommige momenten een lastig college te geven over concepten die in de menselijke binnenwereld aangeboren of aangeleerd zijn. Maar hij vertelt ook prachtige verhalen over de manier waarop bijen elkaar duidelijk maken waar honingbronnen te vinden zijn of hoe mensen nog altijd over zo’n 150 signalen beschikken om anderen bijvoorbeeld het bloed onder de nagels vandaan te treiteren.

Hij maakt het zichzelf zeker niet gemakkelijk omdat hij alleen iets aan wil nemen als hij ertoe gedwongen wordt. Met dit adagium van de middeleeuwse monnik Occam las hij stapels literatuur over zeeslakjes, dromende mensen en de redenen waarom volwassenen zo graag naar landschappen kijken.

Het resultaat is opzienbarend. Na alle feiten, verhalen en speculaties koppelt hij uiteindelijk het ontstaan van ons taalvermogen aan de ontdekking van de landbouw zo’n 10.000 jaar geleden. Want hiervoor was toch echt meer nodig dan ‘een goed geheugen, wat algemene intelligentie en goed afkijken’.

De eerste boeren zijn de oudste mensen die aanwijsbaar over een echt en compleet modern taalvermogen beschikt moeten hebben, waarmee maar is gezegd dat tussen de grottekeningen van 12000 jaar geleden en de eerste korenvelden van 10.000 jaar terug de taal geboren moet zijn.

Maarten van Boxtel


 

Terug

T-Hdesign | Copyright Rien Broere All rights reserved. Home - Contact