Voor jou

K. Schippers, Voor jou 
Em. Querido’s uitgeverij, Amsterdam BV, 2013
Amsterdam - Antwerpen
213 pagina’s
ISBN 978 90 214 4744 5
€ 19,95

De bundel Voor jou van K. Schippers werd een In memoriam in 34 verhalen voor Henk Bernlef en G. Brands, vrienden van de schrijver. Hij verbleef in Brussel  toen zij kort na elkaar stierven. Hij had het merendeel van de verhalen klaar, maar er ontbrak nog iets aan, ‘iets wat een ander ritme geeft … tussen de stukken in.’ Met zijn vrienden had hij alles ontdekt, ‘de film, de jazz, dada en Schwitters, in de zijvleugel van het Stedelijk . Met niemand heb ik zoveel gelachen.’ Hij liet ze nog even niet gaan, haalde ze terug in uitspraken, foto’s, herinneringen en maakte er met hun welnemen een melancholieke, warme reünie (in Brussel) van.

Hun vriendschap, die op de middelbare school in Amsterdam begon, legde de basis voor een nieuwe literaire lichtheid die in het tijdschrift Barbarber haar beslag zou krijgen in de vorm van snippers nieuwsgierigheid. De verwondering was hun uitgangspunt. Als uiterlijk vertoon van dwarsheid werd het blad in de lengte gevouwen. Hiervan zei Schippers ooit: ‘Als hij dit niet zo had gevouwen, waren we misschien niet eens doorgegaan met het blad’(1978). Voor Bernlef leek het alsof hij ‘door een omgedraaide verrekijker naar de momenten’ keek dat ze ‘met z’n 3-en bij elkaar zaten en Barbarber in elkaar zetten’, zoals hij onlangs nog schreef aan Schippers (en opgenomen in Voor jou).

Bij Barbarber ging het om spelen met toeval, observeren van alledaagse gebeurtenissen, lichtvoetige humor. Het tijdschrift bood plaats aan de gewoonste uitdrukkingen (‘wat niet is kan komen’, ‘ze doen maar’), kant- en-klare teksten (ready mades) die al of niet in de vorm van gedichten geplaatst werden.

Een mooi voorbeeld hiervan geeft Schippers in Voor jou (In het Hallen Theater) als hij delen citeert uit de schoolschriften waarin de operateur van de vroegere Amsterdamse bioscoop de Hallen tussen 1936 en 1945 de programmering bijhoudt. Hij beschrijft nauwkeurig de conditie van de filmkopieën: ze zijn ‘verregend’, er lopen ‘wrijvingskabels over band en langs perforatie’enz. Schippers haalt er een aantal letterlijk aan. In de herhaling schuilt de fascinatie, in de kleine variaties de kracht: tussen  augustus 1939 – 19 juli 1940 nemen drie collega’s het over; de operateur van dienst ‘werd in september 1939 gemobiliseerd, heeft geoefend en gevochten’. Een ander ‘detail’ is dat in januari 1942 De eeuwige jood vertoond wordt, een documentaire waarin de joden met ratten worden vergeleken.

Over de inhoud van de films zegt de operateur niets. Dat is niet zijn taak. Uiteindelijk – en dit zou dus zo in Barbarber geplaatst kunnen worden – geeft hij het rapport van de operateur de vorm van een gedicht, want ‘hij heeft er lang genoeg aan gewerkt’ : ‘Wrijving langs beide kanten, / verregend, eindes zeer sterk. / Ingetikt, ingescheurd, af en / toe ingeknipt, film zeer / droog en ingekort.’ 

Toen Bernlef hem in een laatste mail van 29 oktober 2012, 19:26 uur, vroeg naar de naam en het adres van een jazzwinkel aan wie hij zijn platen- en cd-collectie jazz aan wilde bieden, vroeg Schippers zich af hoe dat kon. Hij was immers al meer dan acht uur dood. Had de computer zich vergist? Hij wist zeker dat Bernlef ervan genoten zou hebben, van deze ‘precisie die onderuit wordt gehaald.’  Maar in zijn tijdelijke Brusselse onderkomen geeft hij Brands en Bernlef verderop in de bundel ruimschoots de gelegenheid om met zijn digitale onwetendheid te spotten.
Op de voorkaft staat het schilderij ‘Jeune fille à la fenêtre’ uit 1955 van de Poolse schilder Balthus. Schippers gaat op zoek naar de vrouw die model gestaan heeft voor het meisje. Ze was toen nog net niet volwassen, want daar was de schilder sterk in, in de weergave van ‘de laatste ogenblikken van haar jeugd’.  Zij woont nog in het Château de Chassy het kasteel in de Morvan waar Balthus haar geschilderd heeft. Als Schippers in de buurt van het kasteel komt, vraagt hij een oudere vrouw of ze Frédérique Tison kent, van Balthus. ‘Dat ben ik,’ ze zegt het een beetje ongelovig, alsof ze ook iemand anders had kunnen zijn.’ (Het model)

Bij Schippers vallen dingen samen, al of niet toevallig. Vaak is het een kwestie van goed kijken en het dan opschrijven, in tastende zinnen die je als lezer dan ook weer voorzichtig moet (wilt) proeven. In Het model, dat gaat over de gesprekken die de Italiaanse architect Aldo Buzzi in de jaren ’70 voerde met de Roemeense kunstenaar Saul Steinberg, schrijft Schippers dat het niet om ‘wollige spreektaal’ gaat: ‘De zinnen zijn nauwkeurig en op onverwachte momenten komt hij met een beeldend detail.’  Schippers voegt zelf de daad bij het woord als hij vindt dat Balthus’ slaapkamer ‘er aangenaam slordig’ uitziet: ‘Een edelman als Balthus weet dat je een kamer nooit helemaal in balans mag brengen, anders krijg je het onbeweeglijke’.  Of hij typeert de Brusselse Bennoît van Innis als ‘de tekenaar die zelfs een tafelpoot en een lamp dompelt in de aristocratie.’

Hij vindt het werk van kunstenaar Geer van Velde ‘licht en bekoorlijk. Voor hem niet de ernst van de schilder die het wereldraadsel heeft opgelost.’ Met Van Velde ‘krijg je even vakantie van al je vraagstukken. Het komt vast door het licht.’ Het zijn evenzovele typeringen die ook gelden voor deze bundel zelf, zoals moge blijken uit de openingszinnen van  Het productiemeisje: ‘Het lijkt wel of de tijd zich schikt naar Yasmina Haddad. Omdat het haar uitkomt is het half vier en geen seconde later.’

De observaties van Schippers lijken me in eerste instantie bestemd voor de lezers Bernlef en Brands. Dat geldt ook voor zijn stijl die de draaglijke lichtheid van hun bestaan en werk reflecteert. Schippers zal het commentaar van zijn vrienden op deze bundel  node missen.  Ik ben dan maar zo vrij: kunst doet goed, deze kunst maakt gelukkig.

Maarten van Boxtel

 

Terug

T-Hdesign | Copyright Rien Broere All rights reserved. Home - Contact