De mislukkingskunstenaar

Willem Otterspeer, De mislukkingskunstenaar. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel 1 (192 – 1952)
Uitgeverij De Bezige Bij, 2013
862 pagina’s
ISBN 978 90 234 7661 0
€ 39,90


Willem Frederik Hermans was een zonderlinge kwant, bepaald geen vrolijke Frans. Hij liet zich met zijn boeken in dit opzicht bepaald niet onbetuigd. In zijn tweede grote roman Ik heb altijd gelijk riep hij de woede van de katholieken over zich af door hoofdpersonage Lodewijk  Stegman voluit tegen hen te laten fulmineren:  ‘Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar die naaien erop los. Die planten zich voort als konijnen, ratten, vlooien, luizen’. Natuurlijk zal zijn sarcasme door anderen weer als een opluchting ervaren zijn, bevrijdend wellicht. Zulke dingen moeten nu eenmaal gezegd kunnen worden. Het juridische getouwtrek dat erop volgde over wat een auteur in zijn fictieve proza al of niet vermag, heeft Hermans in ieder geval de herrie bezorgd waarvan hij wist dat het nodig was om bekend te blijven. Van de verkoop van zijn boeken alleen zou hij immers niet leven.

Willem Otterspeer tekent in zijn biografie de schrijver als het literaire geweten van zijn tijd. Hermans  eiste van schrijvers een volledige toewijding die moest leiden tot totalitaire literatuur. Niet veel collega’s konden zijn toets der kritiek doorstaan. In Nederland had hij veel op met Bordewijk, Multatuli was zijn ijkpunt, Slauerhoff kon ook nog, evenals  Du Perron,  maar diens eis dat een roman blijk moest geven van het karakter van een vent i.p.v. het gepruts met vormen, wilde Hermans toch graag zien als een tegenstelling tussen vorm en inhoud. Hij verfoeide de naoorlogse epigonen van het bekende vooroorlogse tijdschrift Forum, publiceerde zijn messcherpe essays in literaire tijdschriften. Voor hem was het zonneklaar, zoals hij in Criterium schreef: ‘Een geschrift dat mij niet bevalt, beschouw ik als een persoonlijke belediging.’

Op deze ongezouten manier maakte hij vriend en vijand in duizenden brieven, vele dagboeken en volgeschreven agenda’s  duidelijk hoe hij erover dacht, beter nog, hoe het moest. Hij werd daarbij gedreven door angst, want ‘angst is het vruchtwater waarin ik ondergedompeld ben’, schreef hij in het verhaal Het grote medelijden. Daartegenover zette hij de agressie om zijn angst te overwinnen.  Daarmee ‘is misschien wel de fundamentele polariteit van zijn persoonlijkheid geraakt, de twee krachtbronnen die de energie voor zijn oeuvre zouden opwekken. Ze maakten van Willem Frederik Hermans de dierlijkste van onze schrijvers’, aldus Otterspeer.

De biograaf baseert zich bij alles op verschillende bronnen, waarbij hij de verhalen en romans van Hermans op eenzelfde manier meeneemt als bijvoorbeeld zijn Fotobiografie (1969) en zijn brieven. Alles van hem is uiteindelijk autobiografisch. Dit leidt tot indrukwekkende passages over bijvoorbeeld het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog toen Hermans het grootste drama uit zijn leven overkwam: de zelfmoord van zijn drie jaar oudere zus Corry. Ze wordt door twee politieagenten gevonden op een afgelegen plek in Amsterdam, samen met haar oudere vriend – en volle neef – Pieter  Blind, beiden met een schotwond in hun hoofd.

Waar het politierapport stopt, gaat Hermans in Ik heb altijd gelijk verder. In het laatste hoofdstuk wordt Lodewijk Stegman van het ene op het andere moment vergezeld door Debora, terwijl zijn echte ‘vriendin’ Gertie het hoekje omgaat. Hij voelt aan haar schotwond op haar slaap. Je moet van steen zijn om hier niet – al is het enigszins – door ontroerd te worden. Dat zal Hermans wellicht niet beoogd hebben, maar het zegt wel iets over zijn ware gevoelens: hij hield van zijn zus.  Dit werpt een ander licht op zijn brieven waarin hij korte metten met haar maakt. Zijn vader moest het overigens als een ‘blok inhalige stompzinnigheid’ in feit en fictie ontgelden.

Voor Hermans is Nederland eigenlijk te klein. In 1948 verblijft hij een halfjaar in Canada, in 1945 en ’46  woont hij enkele maanden in Brussel, maar telkens realiseert hij zich dat hij er als schrijver met een andere moedertaal niets te zoeken heeft.  Het Nederlands is zijn wapen, zijn reden en voorwaarde van bestaan. Nederland deelt het lot van andere kleine, kwetsbare landen die tegen hun wil in een oorlog tussen grote buren betrokken worden. Romans als De tranen der Acacia’s, Het behouden huis, De donkere kamer van Damokles staan in dit opzicht symbool voor het Nederland van Hermans. Hij wist deze positie te relativeren met de opmerking dat wereldliteratuur altijd in provincies speelt ‘waar de hele wereld belangstelling voor heeft’.

De gedrevenheid van Hermans – hij wil schrijven en niks anders – leidt ertoe dat hij ooit een geel kaartje invulde waarmee hij zich aanmeldde voor de Kultuurkamer.  Dit was geen kwestie van goed of fout, volgens Otterspeer (Hermans was ‘afzijdig’), maar een zoveelste bewijs voor het obsessieve schrijverschap dat alle doen en laten van Hermans bepaalde.  Dan wordt hem met terugwerkende kracht veel vergeven, zo dit al nodig mocht zijn voor deze alom bewonderde auteur die zich als raspessimist liet inspireren door Franz Kafka en Louis-Ferdinand Celine over wie hij in een essay in Het Vaderland schreef  dat ze op alle punten verschilden ‘behalve dat ze beiden over proletariers schreven. Dat zijn mensen die geen denktraditie hebben.’

Otterspeer is gewetensvol te werk gegaan. Hij schetst een betrouwbaar beeld  van een man die zich een weg naar het schrijverschap beet, die alles wat hem in de weg stond uit de weg ruimde, lak had aan reputaties, vrienden publiekelijk aan de schandpaal nagelde, voor wie literatuur ‘een zaak van leven en dood’ was. Misschien was het aardig geweest om wat meer over Emmy Meurs te lezen, de vrouw met wie hij in 1950 trouwde. Ze hield het ten slotte haar hele leven met hem uit (en hij met haar). Of er zouden wat meer anekdotes in mogen, zoals de keer dat een dronken Paul Rodenko hardnekkig via een kast naar buiten wilde.

In de inleiding schrijft Otterspeer dat deze biografie aannemelijk moet maken waarom Hermans ‘zus of zo schreef’ en ‘waarom hij schrijver (en niks anders) geworden is’. Hij gaat uit van wat voor Hermans zelf het centrale gegeven van zijn leven was: de mislukking ervan. Dit eerste deel onder de titel De mislukkingskunstenaar (vrij naar Kafka’s De hongerkunstenaar?) over de periode 1921 – 1952 belooft veel voor het tweede deel, waarin het schrijverschap van Hermans volop tot bloei zal komen, te beginnen bij de belangrijke, vruchtbare Groningse periode.  Ik kijk ernaar uit.

Maarten van Boxtel

 

Terug

T-Hdesign | Copyright Rien Broere All rights reserved. Home - Contact