Oorlog en terpentijn

Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn
Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2013
334 pagina’s
ISBN 978-90-234-7671-9
€ 19,90

In Oorlog en terpentijn staat Urbain Martien centraal, de opa van de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans, de man die hij allang had willen eren met een biografie, maar het kwam er aldoor niet van. Schuldgevoel bleef knagen, ambitie daagde hem uit en 2014 kwam dichtbij, het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog waarschijnlijk overal in België herdacht zou gaan worden omdat ieder dorp en alle families een flink deel van de oorlogsellende te dragen gekregen hebben.
 
Als 12-jarige jongen kreeg Hertmans van zijn opa een gouden zakhorloge, dat hij terstond liet vallen, waarna  het op de tegels uit elkaar spatte.  Hij zag ‘de uitdrukking op zijn gezicht, de ontsteltenis en het binnensmondse vloeken, het hoofdschudden, het sluiten van zijn ogen en de ingehouden woede waarmee hij de uit elkaar gevallen onderdelen bij elkaar raapte, ze in de zak van zijn kieltje stopte en de tuin instapte om voor enkele uren te verdwijnen’. Het horloge stond voor de armoede waaronder de  familie gebukt ging en de beproevingen in de loopgraven tijdens de eerste wereldoorlog. En het werd het vliegwiel van deze prachtige roman.

Vlak voor de dood van zijn opa in 1981 kreeg Hertmans twee dichtbeschreven cahiers van 600 pagina’s. Er was sinds 1963 aan  gewerkt. Hiermee had de schrijver goud in handen. Tegelijkertijd mocht hij er van zichzelf nauwelijks aan tornen, want hoe dicht zou hij anders nog bij de herinneringen van zijn grootvader blijven? In een jaar tijd tikte hij alles over, las over de jonge jaren in het Gent van voor 1900, over de bijzondere ontmoeting tussen Franciscus  Martien en Céline Andries, de ouders van Urbain (zijn opa dus). Zijn moeder was de dochter van een welgestelde groente- en aardappelhandelaar, zijn vader was een getalenteerde schilder die zijn kostje bij elkaar scharrelde met het herstellen van muurschilderingen in kerken. Hun huwelijk kreeg niet de goedkeuring van haar ouders. Zij koos voor hem en dus voor de armoede, ze kregen vijf kinderen.

Urbain was vaak bij zijn vader in de kerken te vinden. Hertmans maakte er intieme verhalen van over een in zichzelf gekeerde, bescheiden vader-kunstenaar en zijn bewonderende zoon. Van zijn vader erft Urbain ook het tekentalent. Hij volgt tekenlessen op de avondschool Sint-Lucas en leert er ‘eindeloos schreefjes trekken, altijd maar schreefjes trekken.’ Hij stopte, herbegon later, schetste avonden lang allerlei vormen, zijn handen, zichzelf. Zijn vader was ontroerd toen zijn vrouw hem de schetsen van hun zoon laat zien, vlak voor zijn dood en na zijn maandenlange verblijf in Liverpool om er muurschilderingen in een kerk te herstellen. 

Hertmans’ grootvader was geen goede leerling. Hij werkte bij een smid, waar hij zag hoe de dronken zoon van de smid crepeerde na een val in de oven. Hij werkte bij een ijzergieterij, ging in dienst. Hertmans schetst de plekken in Gent waar zijn opa vaak geweest moet zijn, plekken zoals het oude ijspaleis Veneziana, dat in 2006 zielloos gemoderniseerd werd. Of hij ging op zoek naar het huis van de ‘voortverkooper van kleeding’ waar hij als leerjongen bij de Brusselse kleermaker aanbelde. Hij beschrijft de provocerende Gentse socialisten die zich keerden tegen de katholieken. Aan hen zou zijn opa een levenslange hekel hebben. Hij blaast het oude leven in Gent.  In dit eerste deel zie je Hertmans ‘puzzelen met flarden details’ van zijn opa’s verhalen over schilderkunst en muziek. Hij blijft op enige afstand, kiest hier voor de de 3e persoon.

Dat verandert in het tweede deel op slag wanneer hij zijn opa in de ik-vorm rechtstreeks zijn persoonlijke oorlogskroniek laat schrijven. Het is authentiek, huiveringwekkend en spannend. Zijn grootvader werd op 1 augustus 1914 – ‘de dag van de opeising’ – opgehaald, waarna hij vrijwel direct terechtkwam in de bloederige, mensonterende strijd tegen de Duitsers op de  IJzervlakte, waar soldaten massaal afgeslacht werden in de stinkende en koude loopgraven, waar niemand kop en staart in de strijd kon ontdekken, de Franstalige officiers zich superieur gedroegen.
Wat was dit een zieke oorlog, wat een zinloosheid, wat een laf (vuil) gebruik van mosterdgas, wat een onthutsende opoffering van jonge jongens, hoe gruwelijk waren hun verminkingen, klonk hun krijsen en heerste de paniek.

Urbain was een overlever, een kat met negen levens. Hij ging tot driemaal toe naar Engeland om te herstellen van zware verwondingen. Hij doorstond een stormachtige overtocht en vond er de muurschilderingen van zijn vader in Liverpool.  Geen enkel detail is hij 45 jaar na dato vergeten. Hoe viel daarmee te leven?  Zijn persoonlijk drama werd nog groter toen hij direct na de oorlog de liefde van zijn leven ontmoette en vrijwel direct weer verloor. Tot zijn  45e werkte hij bij de Belgische Spoorwegen, daarna ging hij met pensioen wegens geestelijke invaliditeit.
Deze man kreeg  het standbeeld dat hij verdiende.  Hertmans nam liefdevol de paradox als constante van zijn grootvaders leven onder de loep: ‘heen en weer te worden geslingerd tussen de militair die hij noodgedwongen was geweest en de kunstenaar  die hij had willen zijn. Oorlog en terpentijn.’ Deze auteur loste zijn schuld in met verve. Chapeau!

Maarten van Boxtel

 

Terug

T-Hdesign | Copyright Rien Broere All rights reserved. Home - Contact