Pier en oceaan

Oek de Jong, Pier en oceaan
Uitgeverij Atlas/Contact, Amsterdam 2013
804 pagina’s
ISBN 978 90 254 4093 0
€ 29,95

Op het nachtkastje van Dina Roorda-Houttuijn lag – zolang haar zoon Abel zich dat kon herinneren – een gekaft boek met foto’s van plaatsen in de Provence waarin de opdracht stond: ‘Voor mijn lieve Dina – altijd droef en toch blijde’. Het was een geschenk van Elena, de vrouw met wie Dina haar eerste indringende seksuele ervaring had. Ze ontmoette haar begin jaren vijftig in Zandvoort, in een tehuis voor kinderen  waar ze werkte. Ze heeft Elena nooit kunnen vergeten. Hoe zwaar moet het haar gevallen zijn dat deze vrouw zelfmoord gepleegd heeft, vermoedelijk vanwege haar of vanwege de burgerlijke intolerantie die toen in Nederland hoogtij vierde.

Deze herinnering van Abel Roorda aan zijn moeder laat zien hoe goed hij keek. In Pier en oceaan van Oek de Jong is er volop sprake van zulke gedetailleerde, openhartige herinneringen en reconstructies. Zo verhuisde het gezin al snel naar Zeeland omdat Dina niet kon aarden in Friesland. Toen ze haar man met een pijpenrekje naar de verhuiswagen zag lopen, maakte ze een karikatuur van hem: ‘zo kinderlijk, zo onnatuurlijk, zo onnozel’.

In deze roman wisselt het perspectief voortdurend van Abel naar zijn ouders en soms naar andere personages binnen de vijf delen, binnen de hoofdstukken en soms zelfs tussen twee alinea’s. Op deze manier krijgen de personages ruimschoots de kans goede bekenden te worden. Lieuwe Roorda, de vader van Abel, blijkt dan niet alleen de eenzelvige, houten klaas te zijn waarvoor Dina hem hield, maar ook de man die eindeloos geduldig de nukken van zijn vrouw verdroeg. Abel was niet alleen de weerbarstige somberaar die vanuit het niets mensen met zijn drift belaagde maar ook de twijfelende dromer die meisjes liefdevol en met respect tegemoet trad. Indrukwekkend is de scene waarin opa Roorda enerzijds wordt weggezet als een stugge Friese, gereformeerde mopperpot, anderzijds als de vertegenwoordiger van de trotse vooroorlogse generatie ambachtslieden die haar vakmanschap na WOII nooit meer te gelde heeft kunnen maken.

Het zijn 800 pagina’s wonderschoon proza geworden waarin Abel groeit naar de volwassenheid. Het is coming of age – ontwikkeling mag ook – in de jaren vijftig en zestig op het platteland van Friesland en vooral Zeeland, waar het rumoer van de wereld weliswaar gehoord maar met gemak genegeerd kon worden. De tijd stond er gelukkig nog stil, zeker in de ogen van een kind dat zich toelegde op polsstok springen over sloten, de eerste zwemlessen doorstond en het verlangen naar de zee ontdekte. Het is met name deze jongen die ergert en ontwapent, die naar het leven getekend is en hoogstwaarschijnlijk – want voorzichtigheid blijft geboden – gemodelleerd is naar het leven van De Jong zelf.   

Abels plotselinge sombere buien, zijn bijzondere invallen en zijn grote liefde voor de zee leveren indrukwekkende scenes op, zoals de tocht die hij, net klaar op de middelbare school, met een jongen ‘keurig opgevoed aan een van de Goese singels’, een zoon van een veearts en twee hem onbekende meisjes naar de Roggeplaat maakte. Ze brachten er bij laagwater de nacht door. Abel bedreef met een van de meisjes de liefde, maar toen hij onverhoeds – ook voor zichzelf – de vrijpartij afbrak, was het schip ‘te klein voor zijn woede en schaamte’. Hij klom over de reling, liep in de maanloze nacht weg van de sloep en verdwaalde. De schrik sloeg hem om het hart toen hij bij het opkomende water de weg naar het schip niet zonder meer terug kon vinden. Dat is nog eens een spannend verhaal van eigen bodem.                

Ook Dina verdient het standbeeld van de echtgenote die vele malen beter af geweest zou zijn als ze de keuze had gehad te scheiden of – beter nog – helemaal niet te trouwen. Maar ja, de jaren vijftig he, en Dina’s gereformeerde opvoeding, haar nerveuze aard, haar voorhuwelijkse zwangerschap, de vernedering om hierover schuld te moeten bekennen ten overstaan van een dominee en zijn ouderlingen: de schuldgevoelens over al deze zaken zijn haar niet in haar koude kleren gaan zitten. In die van Abel ook niet overigens, maar die hield van haar en bestreed zijn vader. En Oedipous keek toe.

Alles wordt beschreven in eenvoudige bewoordingen en heldere zinnen. Er staat geen woord te veel, voor zover dat al te beoordelen is. De vele dialogen zijn vanzelfsprekend en echt, zoals de woorden die Abels vriend Marinus zijn in Indie getraumatiseerde vader toevoegde: ‘Je hebt toch koelies afgeranseld?’. Dat vroeg om een reactie en die kwam er ook. Een enkele keer druppelt het Zeeuwse dialect in de gesprekken. Vaak klinkt een sarcastisch gesar door in de praatjes tussen de Zeeuwse pubers-van-niveau. Zo kreeg klasgenote Antona Duvekot (Duvekotje) na haar pianospel op een voorspeelavond van Abel te horen dat ze mooi gespeeld had, maar ‘je moet alleen nog wat werken aan je toon’. Heerlijk, hoe hij hier zijn ruiten in gooide bij het mooiste meisje van de klas.  

De Jong had met deze roman alle prijzen van 2012 verdiend, inclusief de Libris literatuurprijs.

Maarten van Boxtel  



 

Terug

T-Hdesign | Copyright Rien Broere All rights reserved. Home - Contact