Juf & co deel 4

Mei 2013 verscheen bij uitgeverij Clavis het vierde deel van de serie Juf & co: Probeer dat maar eens uit te leggen, juf!
De tekeningen zijn gemaakt door Marjolein Hund.

Korte inhoud:

Stan is de laatste tijd zichzelf niet. Hij loopt er somber bij en heeft nergens zin in. Dat merkt niet alleen Lucas, Stans beste vriend, ook hun klasvriendinnen Saimi, Emma en Aysel zien het. Algauw komen ze te weten dat Stan het erg moeilijk heeft met een beslissing die zijn vader Theo genomen heeft. Emma, Aysel, Saimi, Lucas én Stan bedenken samen een plan. En nee, niet zomaar een plan, maar een heus ‘combinatieplan’. Dat moet niet alleen Theo van gedachten doen veranderen, maar ook hun lieve juf Greet vooruithelpen. Bij de voorbereiding van het honderdjarige bestaan van hun school Waaigat treedt het fameuze plan in werking. Als dat maar goed afloopt …

 

Fragment uit 'Probeer dat maar eens uit te leggen, juf!'

Prinses Gretia

De volgende dag zit de hele klas braaf over de rekensommen gebogen. Dat zorgt voor een speciaal soort stilte die je alleen in een klas tegenkomt. De stilte van hardwerkende hersentjes. Een stilte die vol zit met kleine geluidjes: een zucht hier, een tikkende pen daar, een stoel de aangeschoven wordt, een bladzijde die wordt omgeslagen, schuifelende voeten en het zachte geluid van iemand die tegen zijn voorhoofd tikt om zijn hersenen op te schudden of omdat hij een som niet snapt.
Opeens doorbreekt de stem van juf Greet de stilte.
‘Leg allemaal even je pen neer,’ zegt ze. Ze pauzeert tot ze alle ogen op zich gericht weet. ‘Sorry dat ik jullie midden in je harde werk stoor,’ gaat ze verder, ‘maar ik moet jullie iets belangrijks vertellen. Het is, eh … het is eigenlijk geheim, maar ik heb besloten dat jullie het moeten weten.’
In een stripverhaal zouden er nu heel veel vraagtekens boven de hoofden van de kinderen zweven. In het echt is daar niets van te zien, maar de verbazing druipt van de gezichten. Verbazing én nieuwsgierigheid, natuurlijk.
‘Is de deur goed dicht?’ vraagt juf Greet aan Sem die daar het dichtste bij zit.
Sem staat op en rammelt even met de klink van de deur.
‘Dichter kan niet, juf,’ zegt hij.
‘Mooi,’ begint juf Greet. ‘Moet je luisteren …’ Haar stem zakt naar gefluister. Het is nu pas echt stil in de klas. ‘Zoals ik net zei, is het eigenlijk geheim. Niemand weet het en niemand mág het weten, maar ik vind dat jullie het moeten weten…’
Terwijl ze praat buigen de kinderen zich naar voren over hun tafeltjes om toch maar ieder woord van de juf te kunnen opvangen.
‘Ik reken er natuurlijk op dat jullie het tegen niemand zullen doorvertellen,’ gaat juf Greet verder.
Ja, ja, ja, knikken de hoofden, en op heel wat gezichten lees je de boodschap ‘schiet nou maar op, vertel het nou!’
‘Goed. Het is namelijk zo …’ juf Greet kijkt op haar gemak de klas rond. ‘En je mag het echt tegen niemand verklappen, maar het is dus zo dat ik eigenlijk … een prinsesje ben.’
Het hoge woord is eruit. Juf Greet gaat rechtop zitten en kijkt met een tevreden glimlach de kinderen aan.
Alweer stilte. Maar nu van een heel ander soort. Deze keer is het een stilte voor een storm. Een storm van geroep en gejoel en gelach die even later als een wolk van lawaai in het lokaal opstijgt.
Juf Greet steekt haar hand op als teken dat ze wil dat het stil wordt. De lawaai-wolk zakt maar heel langzaam, en het duurt even voor de laatste geluiden als kleine plukjes zijn neergedaald.
‘Ik wist wel dat jullie daar heel enthousiast van zouden worden,’ zegt de juf. ‘En ik zie aan jullie gezichten dat velen van jullie denken: zie je wel, ik dacht al zoiets!’
Hier en daar begint er opnieuw geluid op te stijgen, maar dat legt juf Greet meteen het zwijgen op.
‘Ik zal vertellen hoe ik dat te weten ben gekomen,’ begint ze. ‘Ik was een jaar of tien. Het was ’s avonds. Mijn moeder had haar schort voor en krulspelden in haar haar en ze zat de nagels van haar tenen te lakken. Mijn vader lag op de bank. Hij was in slaap gevallen. Hij snurkte en er hing zo’n kwijldraadje uit zijn mondhoek. Ik keek naar ze en dacht: bwèh. En opeens wist ik het zeker. Die twee mensen waren natuurlijk mijn echte vader en moeder niet! Ze hadden waarschijnlijk van iemand heel veel geld gekregen om mij op te voeden. Mijn echte vader en moeder waren vast heel erg rijk en heel erg deftig en verschrikkelijk netjes. Mijn echte vader en moeder waren natuurlijk ergens koning en koningin. Ze hadden mij gekregen, maar ze vonden het vast heel zielig voor zo’n lief, leuk klein meisje als ik als ik de hele dag door iedereen in de gaten zou worden gehouden. Mensen zouden foto’s van mijn  lieve gezichtje willen maken en iedereen zou mijn vriendinnetje willen worden. Afijn, dat wilden ze mij besparen en daarom hadden ze me zolang verhuurd aan die vrouw met haar krulspelden en die man die lag te snurken.
Ik was … het duurde even voor ik het zelf begreep, maar ik was eigenlijk een prinsesje!’
‘Ik ook!’ roept Emma.
‘Pech gehad,’ reageert juf Greet meteen. ‘Ik was eerst!’ En met een doodernstig gezicht gaat ze verder: ‘Je snapt wel dat niemand dit mag weten. En jullie vragen je natuurlijk af of ik mijn echte vader en moeder wel eens gezien heb. Nou … daar mag ik helaas niks over zeggen. Laat ik het zo zeggen: in het belang van alle mensen en de wereldvrede heb ik beloofd dat ik de rest van mijn bestaan als een gewoon mens door het leven zal gaan. Op één dag na. Eén dag in het jaar mag ik ook eens genieten van het feit dat ik een prinses ben. Eén dag per jaar hoef ik me niet anders voor te doen dan ik ben. En één dag per jaar wil ik dan ook dat ik eens door iedereen behandeld wordt als de Koninklijke vrouw die ik in feite ben. Dus vandaag, jongelui, vandaag wil ik graag jullie respect en eerbied en dat jullie me Hoogheid noemen.’
‘Prinses Greet!’ roept iemand.
‘Nee, zeg, wat denk je wel,’ zegt de juf verontwaardigd. ‘Mijn echte naam is prinses Gretia. En ik heb natuurlijk een dubbele achternaam.’
‘Hoe dan?’ vraagt Lucas.
‘Eh …’ aarzelt juf Greet. ‘Eh, prinses Gretia van Overbeek tot Huppeldepup. Ja, dat is hem. Ik moest er even over nadenken, want ik gebruik hem bijna nooit, snap je.’
Triomfantelijk kijkt ze de klas rond. Ze lijkt wel een beetje op een kind dat net een spreekbeurt heeft gehouden en dat vindt dat het heel goed is gegaan.
‘Maar goed, dit was maar even tussendoor,’ vervolgt ze. ‘Mondje dicht erover en nu maar weer verder met je werk, zou ik zeggen.’
‘Nou krijg ik de sommen vast niet op tijd af, juf,’ zegt Nele.
‘Pardon?’ Juf Greet kijkt alsof ze door een wesp is gestoken.
‘Mijn sommen … ik, eh … omdat u zo een hele tijd aan het vertellen was …’ hakkelt Nele.
‘Maar wat zeg ik je nou net?’ zegt de juf. ‘Eén dag in het jaar …’
‘O!’ reageert Nele opgelucht. ‘Ik weet niet of ik de sommen nu op tijd af krijg, Hoogheid.’
‘Juist,’ zegt juf Greet en ze laat haar hoofd een vriendelijk, koninklijk knikje maken,’ dat bedoel ik. Welnu, meisje, kijk maar hoever jij komt. En dat geldt natuurlijk voor al mijn lieve onderdaantjes.’

Sire, is juf Greet al eens door een van de kinderen genoemd, en Prinses Dinges en Gretia van Overbeek tot Huppelknieën. Emma heeft haar zelfs een keer aangesproken met Hoge Meid. Maar de juf heeft elke keer koeltjes geknikt en gezegd: ‘Probeer het nog eens, kind van het volk.’
Wel is juf Gretia van Overbeek tot Huppeldepup steeds deftiger gaan praten. Af en toe zegt ze ‘Wij’ als ze zichzelf bedoelt, en van de ‘oo’ maakt ze een ‘eu’. Dus schrijft de hele klas bij het dictee: ‘De zeun van de veurname eilandbeweuner raapte keukosneuten en sloeg die tegen zijn veurheufd om ze eupen te krijgen.’ Bovendien vindt ze het prinsesselijk staan als ze af en toe ‘tje’ of ‘tjes’ achter een woord plakt.
‘Dank je welletjes, kind,’ zegt ze als Saimi de stapel opgehaalde dicteeschriften naar haar toe brengt. ‘Depeuneert u ze maar op de hoek van mijn bureautje, heur.’
Na de pauze merken de kinderen dat de juf met een kleine verbouwing in de klas bezig is geweest. Ze heeft haar bureau leeggemaakt en er een stoel op gezet. Niet haar eigen stoel, want die heeft wieltjes.
Als de kinderen zitten klimt juf Greet op haar bureau om op de stoel te gaan zitten. Het klimmen gaat een beetje moeizaam en het ziet er niet echt koninklijk uit, maar als ze eenmaal zit is het duidelijk: dit is haar troon.
Het ziet er misschien wel leuk uit, maar het blijkt wel een lastige positie als kinderen haar om uitleg komen vragen.
‘Kindje,’ zegt juf Greet, als Lucas komt vragen wat er met een taallesje moet gebeuren, ‘je plakt een weurd van dat ene rijtje … Nee, het andere … ja, dat rijtje … Van dat andere rijtje dus, plak je het weurd uit het ene … nee, wat jij aanwees was eerst date ene rijtje, maar we noemde het ‘t andere rijtje, dus nu is hét andere rijtje het ene en eh … Weet je wat? Sla maar euver.’
En daarom besluit juf Greet gauw om aan de schrijfles te beginnen.
‘Geweun de weurden die er staan zeu netjes meugelijk euverschrijven, kindertjes van mijn volkje. Wie er iets euver wil vragen, moet dat nu zeggen.’ Er gaat geen enkel vinger de lucht in. ‘Meui,’ gaat de juf verder. ‘En terwijl jullie je best aan het doen zijn, is het veur mij tijd veur een kort dutje. Eigenlijk wou ik een scheunheidsslaapje doen, maar dan moet ik twee plakjes komkommer op mijn eugen leggen, en die heb ik nu even niet. Ja, mijn eugen wel, maar geen komkommer. Geef mij eens even die handdoek, Jeffrey. Fijn, dank je welletjes. En nu aan het werk.’
De klas is bezig met het zo mooi mogelijk overschrijven van de woorden in het schrijfschrift. Ondertussen sluit juf Greet haar ogen, legt haar hoofd in haar nek en drapeert de handdoek over haar gezicht.
Ze zijn wel wat gewend van juf Greet, dus er is niemand die misbruik maakt van de situatie. Iedereen is braaf aan het werk, als de deur opengaat en meester Graus de klas in stapt. Meester Graus is de directeur van de school. Hij is een ouderwetse, strenge man, met haar dat nooit door de war raakt. Er zijn maar vijf kinderen die weten hoe dat komt.
Meester Graus ziet de juf op haar troon zitten en knippert een paar keer met zijn ogen om er zeker van te zijn dat hij het goed ziet.
‘Ahum,’ namaak-hoest hij.
‘Ssst,’ zegt Sem, en hij legt een vinger tegen zijn lippen.
Nu knippert meester Graus niet alleen met zijn ogen, hij moet even iets wegslikken, ook. Hij kijkt erbij alsof hij een hele hap citroen in één keer wegslikt.
‘Juf,’ zegt hij, als hij een beetje van de zure schrik bekomen is. Zonder dat hij het zelf in de gaten heeft, is hij er zacht van gaan praten.
‘Hoogheid,’ verbetert Sem hem fluisterend.
‘Hoogheid?’ herhaalt meester Graus verbaasd. ‘Wie? Ik?’
‘Nee, de juf,’ helpt Sem. ‘U moet Hoogheid zeggen.’
Natuurlijk is het de rest van de klas niet ontgaan dat er achter in het lokaal iets aan de hand is. Stilletjes hebben de meesten hun pen neergelegd om op hun gemak te bekijken wat er gaat gebeuren. Eigenlijk kijkt iedereen wat er staat te gebeuren. Iedereen op één na: de juf zelf. Die zit nog altijd op haar troon te hazenslapen. Als je heel goed luistert, kun je haar zelfs heel zachtjes horen ademen met een beginnend snurkje. Een prinsessensnurkje, natuurlijk, niet het gezaag zoals haar stiefvader op de bank liet horen.
Meester Graus loopt op zijn gemak naar voren. Zijn ogen zijn de hele tijd op de juf gericht.
Langzaam sluipt er spanning in de lichamen van de kinderen die toekijken. In een enge film zou er nu zacht een spannend, dreigend muziekje te horen zijn.
Juf Greet hoort geen muziek. Ze hoort het zenuwachtige geschuifel van voeten en zachte kuchjes en een verdwaald giecheltje.
‘Pardonnetjes,’ zegt de juf. ‘Kan het volkje zijn mondjes houden, alstublieft. Zeu kan ik natuurlijk niet rustig mijn slaapje doen. Ik had toch komkommer mee moeten nemen. Twee zelfs. Dan had ik er in elk eur eentje kunnen stoppen om zeker te zijn dat ik niks zou heuren.’
Het geproest wordt alleen maar luider als ze dit zegt.
‘Juffrouw Van Overbeek!’ roept meester Graus als hij naast haar bureau staat opeens met een krachtige, heldere, maar ook zeer boze stem.
Dat had hij beter niet kunnen doen. Juf Greet schikt zo, dat ze in één beweging de doek van haar gezicht wil trekken, rechtop wil gaan zitten en wil zien wie er haar zo aan het schrikken maakt. Het resultaat is dat ze wild met haar armen begint te zwaaien, waardoor haar stoeltje gevaarlijk dicht naar de rand van het bureau schuift. In paniek wil ze opstaan, met als gevolg dat ze het stoeltje onder zich vandaan schopt en langzaam schuin opzij begint te hellen. Om te voorkomen dat ze valt, molenwieken haar armen in het rond, maar dat maakt haar evenwicht alleen maar wankeler.
Met een langgerekt ‘Oooh,’ duikelt ze voorover van haar bureau. Recht in de armen van … meester Graus.
Nou was hij als kind al niet zo goed in sport. Een bal die zachtjes recht op hem afkwam, kon hij maar met moeite vangen. Maar zo’n neerstortende juf kan zelfs hij niet missen. Met veel geraas van haar jurk valt juf Greet regelrecht in zijn open armen. Helaas voor meester Graus doet ze dat met haar volle gewicht.
‘Oooh!’ roept nu ook de directeur, en met juf Greet in een stevige omhelzing zakt hij langzaam achterover, tot hij languit op zijn rug op de grond ligt.
‘Oepsjes!’ roept juf Greet van schrik. Snel maakt ze zich los uit zijn omarming en krabbelt omhoog. ‘Meneer Graus!’ Ze steekt haar arm uit en als hij haar hand pakt, trekt ze hem omhoog.
Meester Graus is waarschijnlijk nog een beetje verdoofd door de val. Dommig kijkt hij in het rond.
‘Meneer Graus!’ zegt juf Greet nogmaals. ‘U heeft mijn leven gered! U bent een held!’
En ze geeft de directeur een klinkende zoen op zijn wang.
Die wang wordt rood. En nog wat roder. Knalrood. En niet alleen die wang. De andere ook. En zijn hals en zijn nek. De blik waarmee hij de juf aanstaart, is nu ronduit schaapachtig te noemen. Het zou geen van de kinderen verbazen als hij zijn mond zou openen en zachtjes ‘Bèh-hèh-hèh,’ zou zeggen. Maar in plaats daarvan schudt hij even met zijn hoofd, klopt stof van zijn mouwen, zegt kortaf: ‘Denkt u aan de afspraak over het schoolfeest, juffrouw Van Overbeek,’ en loopt met kaarsrechte rug en een hoofd dat in brand lijkt te staan met stramme passen de klas uit.
In de klas hangt op dat moment een afwachtende stilte. Pas als de deur achter meester Graus dicht is gevallen en ze zeker weten dat hij een eindje van hun lokaal vandaan is, barsten ze met z’n allen in een luid geschater uit. Er zijn er die hun buik er echt bij vast moeten houden, zo’n lol hebben ze.
‘Tot zover mijn prinsessendag,’ hikt juf Greet. ‘Laten we maar weer gewoon doen. Maar wat hebben we gelachen met z’n allen!’
De kinderen knikken en vegen de tranen uit hun ogen. Alle kinderen? Nou, bijna alle kinderen. Want als ze niet zo met hun eigen plezier bezig waren geweest, hadden ze kunnen zien dat er één kind in de klas eigenlijk de hele ochtend niet echt om het hele gedoe van de juf heeft kunnen lachen. Stan. Hij kijkt wel, maar lijkt het allemaal niet te zien. Hij is volledig in gedachten – en aan zijn bedrukte gezicht te zien, zijn het geen vrolijke gedachten.

 


Terug naar Juf & co ...................... Terug naar pas verschenen

T-Hdesign | Copyright Rien Broere All rights reserved. Home - Contact